U bent hier: Parochie / Kerken / Adelbertkerk / Kerk / Achtergrond / Sint Adelbert / Levensbeschrijving
Laatst gewijzigd: 27-06-2017

Levensbeschrijving

Adelbert van Egmond, diaken en geloofsverkondiger († 740 of 741).
Patroon van de Sint Adelbertkerk te Delft
Feest: 25 juni

Tekst:
Dries van den Akker s.j. (2: Het leven van de heilige Adelbert; 1995)
en Mirjam Weijers (1, 3, 4; 2005, 2006)

1 - Inleiding

De belangrijkste bron over de heilige Adelbert is “Vita St. Adalberti”. Deze levensbeschrijving werd oorspronkelijk gemaakt rond het jaar 990. De schrijver was een zekere Ruotbert (of Ruopert) van Mettlach, een Benedictijner monnik uit het klooster van Mettlach aan de Saar. Dit klooster had waarschijnlijk goede contacten met het klooster van Egmond via de aartsbisschop van Trier, Egbert, die een zoon was van graaf Dirk II van Holland. Van aartsbisschop Egbert zou Ruotbert de opdracht hebben gekregen om te verzamelen en op te tekenen wat er onder de bevolking leefde aan overgeleverde herinneringen aan Sint Adelbert. Deze zou gestorven zijn in het jaar 740 of 741. Ruotbert schreef dus zo’n 260 jaar later.

Ruotberts originele tekst uit ongeveer 990 is verloren gegaan. Er bestaat alleen nog een afschrift van, dat uit de 11e of 12e eeuw stamt. Historisch onderzoek heeft duidelijk uitgewezen dat dit een bewerking is van Ruotberts tekst: er zitten latere toevoegingen in. De vroegste annalen van Egmond waarin Adelbert wordt genoemd dateren ook uit de 11e eeuw; alle verdere historische documenten waarin hij voorkomt zijn van later datum.

Uit het oudste en alle latere geschreven heiligenlevens ontstonden de volgende “traditionele feiten”. In het jaar 690 kwam Adelbert als metgezel van Willibrord vanuit Engeland naar Kennemerland. Daar werkte hij en hij werd in Egmond begraven in het jaar 740. Na zijn dood begon de bevolking hem onmiddellijk als heilige te vereren. In de 10e eeuw speelde deze verering een rol bij de bouw van een kerk en een nonnenklooster, dat later werd vervangen door een klooster voor mannen: de abdij van Egmond.

Deze traditionele heiligengeschiedenis van Sint Adelbert wordt in deze tekst weergegeven en toegelicht.

2 - Het leven van de heilige Adelbert

2.1 Naam en afkomst

De naam Adelbert (of Adalbert) is een samengestelde naam uit de familie van de Germaanse talen, waartoe de taal van Adelberts geboorte­land, het Angelsaksisch, behoort. ‘Adel’ betekent: ‘van adel’; ‘bert’ betekent: stralend. Samen dus: ‘stralend van adel’, of ‘van roemrijke adel’, een naam die duidt op hoge geboorte, omdat aan kinderen van niet-adellijke afkomst een dergelijke naam hoogstwaarschijnlijk niet werd gegeven.

De legende wil dat Adelbert een prins was van den bloede die afstand had gedaan van zijn koninklijke rechten en privileges om in dienst van Christus te treden. Zijn vader zou Edilbert geheten hebben en als koning van Sussex geheerst hebben. (Ook Wessex en het volk van de Deïren in Noord-Engeland worden in dit verband genoemd.) Het heet dat deze vorst geliefd was omdat hij betrouwbaar de wetten naleefde.

2.2  Van Ierland naar de lage landen

De opvoeding van Adelbert zou zijn toevertrouwd aan abt Egbert van het Ierse klooster Rathmelsigi. Deze Egbert verlangde ernaar een ascetisch leven te leiden, zoals dat indertijd veel voorkwam onder de Ierse monniken. Hun ideaal bestond erin de wijde wereld in te trekken en steeds verder van huis weg te gaan. Zo konden zij vorm geven aan hun gelovige overtuiging dat het vaderland van de ware gelovige op deze wereld nergens te vinden is en pas bereikt wordt in het hiernamaals bij God.

Reeds honderd jaar tevoren was zo’n tocht ondernomen door Columbanus. Deze had overal op zijn route zichtbare bewijzen van zijn aanwezigheid nagelaten in de vorm van kloostervestigingen, waar jonge­mannen uit de buurt zich geheel en al toewijdden aan een leven in dienst van God door gebed, verbreiding van het christendom onder de heidenen en de vorming van een christelijke cultuur door het bouwen van kerken, kloosters en kloosterscholen, door het afschrijven en versieren van heilige boeken en door onontgonnen gebied in cultuur te brengen. Aan het ideaal van de ascese werd recht gedaan, zolang de levensomstandigheden van de monniken gebrekkig waren.

Ook abt Egbert heeft in het kader van zijn ascetische idealen een poging gewaagd om per schip over te steken naar het vasteland. Dat moet tegen het jaar 690 geweest zijn. Door een storm was hij echter op de kust teruggeslagen. Hem was te verstaan gegeven dat hij dat moest beschouwen als een vingerwijzing Gods: niet hijzelf zou op zwerftocht gaan, maar de leerlingen die hij in hetzelfde ideaal had gevormd. Met lede ogen heeft hij dan ook toegezien hoe tenslotte in 690 Willibrordus met twaalf gezellen, onder wie Adelbert, de oversteek waagde naar het vasteland, het onbekende tegemoet.

De overeenkomst met Jezus van wie in de evangelies meer dan eens verteld wordt dat hij in gezelschap van zijn twaalf apostelen in een boot naar de overkant van de zee voer, is uitdrukkelijk bedoeld!

Zoals gebruikelijk onder de eerste missionarissen in onze streken, begaf Willibrord zich met zijn volgelingen eerst naar de machthebber ter plaatse - in dit geval was dat de hofmeier Pepijn van Herstal - teneinde van hem de toestemming te verkrijgen om onder de Friezen het evangelie te mogen verkondigen. Zo’n bezoek aan de vorst of andere heerser was op zich al onderdeel van de missionering. Het hoogste gezag moest onder de indruk worden gebracht.

Wie weet heeft Willibrord de kunst hiervan afgekeken van Augustinus, toen deze zich in 597 voor het eerst presenteerde aan de koning van Kent. Hij had zijn veertig metgezellen in een statige rij opgesteld. Een zilveren kruis ging als een banier voorop, alsmede een geschilderd portret van Christus. Terwijl de monniken met rustige stap nader kwamen, zongen zij litanieën waarin zij baden om het behoud van zichzelf en van hun gastheren. Waarschijnlijk werden er ook relieken meegedragen. Ieder was natuurlijk gekleed in vol ornaat. Zou Willibrord zich op soortgelijke wijze hebben gepresenteerd aan Pepijn? Hoe dan ook, hij kreeg de toestemming waarop hij had gehoopt.

2.3  Adelbert aan het werk

Terwijl Willibrord doorreisde naar Rome om van de paus geloofs­brieven te ontvangen, verspreidden zich zijn twaalf gezellen over het Friese land. Adelberts werkterrein lag vooral in Kennemerland en West-Friesland. We kunnen ons maar nauwelijks een voorstelling maken van zijn levens­omstandigheden. Daarom ontlenen wij links en rechts gegevens van metgezellen en tijdgenoten om ons een beeld te kunnen vormen.

Op welke wijze preekte Adelbert het evangelie? Immers, de Friese taal mocht dan verwant zijn aan het Angelsaksisch, maar waarschijnlijk zal hij toch een tolk nodig gehad hebben. Hoe wist hij de plaatselijke notabelen te overtuigen? Heeft hij hun ontzag ingeboezemd met zijn heilige boeken? Las hij eruit voor, zoals Germaanse runenpriesters mysterievolle teksten lazen uit geheimzinnige tekens? Maakte hij indruk door het gouden kruis dat hij altijd bij zich droeg ? Door de imposante boeken, soms rijk versierd? Of kwamen de Kennemers onder de betovering als hij in de eenzaamheid langdurig zijn gebeden zei en psalmen zong, zoals hij dat in zijn klooster thuis had geleerd? Dat zal immers toch altijd wel luidop gebeurd zijn, naar de gewoonte van die tijd?

Of herkenden zij in hem toch de vechter, vanwege de strijdlust en de ontberingen die de heilige man zich getroostte om zijn idealen te verwezenlijken?

Van Bonifatius en Livinus weten wij hoe zij leden onder de eenzaamheid; hoe zij verlangden naar gezelschap waarmee zij van gedachten konden wisselen, naar boeken van niveau, naar eten van thuis en comfortabeler kleding. Hoe zal dat Adelbert vergaan zijn onder zijn Kennemers?

Hoe dan ook, hij weet de bewoners van de streek zover te krijgen dat ze hun Germaanse goden verlaten omwille van Christus. Hij bouwt een kerkhut en zuivert het hele gebied van alle herinneringen aan de afgoderij. Na zo’n vijftien jaar kan hij met tevredenheid constateren dat het gebied ‘gezuiverd’ is: “Ecce haec munda sunt”. Sommigen menen dat hier de oorsprong ligt van de plaatsnaam Egmond: ‘Haec munda’ zou later gespeld zijn als ‘Haegemunda’. Anderen beweren dat hier vroeger een watertje, ‘Y’, ‘Ic’ of ‘Ec’ geheten (verbastering van het Latijnse 'aqua'), uitmondde in de zee. Nog weer anderen leggen verband met de persoonsnaam van Eggo, met wie Adelbert allengs bevriend raakte. Zou hem het land hier hebben toe­behoord? Adelbert zou Eggo’s zoon hebben gedoopt, waarop Eggo hem de zorg had opgedragen voor zijn opvoeding. Juist zo was Adelbert destijds zelf opgevoed door abt Egbert.

2.4  Het wonder van de appelpitten

Tijdens een maaltijd bij Eggo thuis geeft Adelbert aan zijn vriend te kennen dat hij voor enige tijd naar Engeland terug moet. Eggo’s droefheid is groot: “Zullen we u dan nooit meer terug zien, vader?” Adelbert, die juist aan een appel is begonnen, snijdt de vrucht in vieren en verzamelt de pitten. Hij werpt ze in de richting van het haardvuur en zegt: “Op het moment dat uit deze pitten een nieuw boompje is gegroeid, zal ik in jullie midden terug­keren.”

Niet lang daarna brandt het huisje van Eggo af. Enige tijd later blijkt er op die plek een appelboompje opgeschoten te zijn. Vijf jaar na al deze gebeurtenissen, juist in de tijd dat het boompje in volle bloei staat, verschijnt Adelbert weer op het strand. Hij hernieuwt de vriendschap met Eggo en zijn zoon, en hervat het bekeringswerk. Opvallend aan dit verhaal is echter dat niemand zich afvraagt of weet te vertellen wat Adelbert thuis in Engeland is gaan doen.

2.5  Adelbert sterft

Adelbert zou nog lange tijd in Egmond en omstreken hebben gewoond en gewerkt en op tamelijk hoge leeftijd gestorven zijn in het jaar 740 of 741, een of twee jaar na Willibrord.

Adelbert wordt Sint Adelbert

3.1 Een heilig graf in Egmond

Ruotbert van Mettlach vertelt dat “Vader Adelbert” blijmoedig heenging: op zijn sterfbed zong hij opgewekt psalm 47: “Nu gaan we zien wat we altijd gehoord hebben”. De bewoners van Egmond begroeven hem met veel eerbied en bouwden een houten kerkje boven zijn graf. Het zou herhaaldelijk door invallende Noormannen verwoest zijn, maar werd telkens weer opgebouwd, want er gebeurden vele wonderen. Ruotbert heeft er een hele reeks opgetekend.

In 920 zou Sint Adelbert zijn verschenen aan een zekere Wilfsit, een vrouw die haar leven aan God had toegewijd, om zijn wens te kennen te geven dat zijn gebeente zou worden opgegraven ter verering. Graaf Dirk I gaf hiertoe opdracht, en Adelberts overblijfselen werd teruggevonden in een lijkwade die geheel gaaf was gebleven. Onder de sarcofaag vond men een heldere zoetwaterbron: de oorsprong van het nu nog bestaande St.Adelbert­putje in Egmond-Binnen.

Het heilige gebeente werd plechtig overgebracht naar een verderop gelegen plek waar de graaf een houten nonnenklooster met kerk liet bouwen. Graaf Dirk II liet de houten kloosterkerk vervangen door een stenen gebouw en in plaats van nonnen kwamen er monniken. Dit zou het begin zijn geweest van de Abdij van Egmond. Tijdens de Reformatie werd het klooster verwoest, maar de monniken wisten de reliekschat, waartoe de relieken van Sint Adelbert behoorden, in veiligheid te brengen. Na vele omzwervingen langs kerken en andere schatbewaarders kwamen die in 1950 weer terug in de opnieuw opgerichte Adelbertabdij. De Adelbert­devotie in de streek had in de tussenliggende eeuwen afwisselend perioden van sluimering en bloei gekend, maar was op geen enkel moment geheel verloren gaan. Het feest van Sint Adelbert wordt gevierd op 25 juni.

3.2  Sint Adelbert in de kunst

Sint Adelbert wordt afgebeeld als aartsdiaken, met een tuniek. Vaak heeft hij het evangelieboek bij zich. Soms draagt hij een lelietak als symbool van de zuiverheid of de maagdelijkheid. Aan zijn voeten liggen kroon en scepter: symbolen van de koninklijke waardigheid waarvan hij afstand heeft gedaan. Er zijn ook afbeeldingen waarop hij een kroon op het hoofd draagt.

4 - Nabeschouwing

Over de relatie tussen de “traditionele feiten” en de geschiedkundige gegevens over Sint Adelbert wordt verschillend gedacht door de wetenschappers die zich er in de loop van de tijd over gebogen hebben. Wel kan bewezen worden dat Adelbert als persoon heeft bestaan en een bijdrage heeft geleverd aan de verspreiding van het christendom in de lage landen. Zowel in levenden lijve als daarna, via de verhalen over hem die werden doorverteld. Ook zijn er voldoende redenen om aan te nemen dat de Egmondse Adelbert-relieken echt zijn. Of Adelbert echter ook daad­werkelijk in Egmond heeft geleefd en gewerkt zoals dat in het traditionele verhaal wordt beschreven, is een ingewikkelde kwestie waarover in de vakliteratuur door de tijden heen verschillende opvattingen te vinden zijn.

Een vraag waarop de historici nooit een antwoord zullen kunnen geven is: wat voor soort man zou Adelbert eigenlijk geweest zijn? Maar voor ons als Adelbert-parochianen kan het antwoord uit de “tradionele informatie” ook interessant zijn. De heiligenlevens verhalen van vroomheid en deugd­zaamheid zoals gebruikelijk in het genre. De meest persoonlijke beschrijving bij Ruotbert van Mettlach spreekt van: een beminnelijk karakter waartoe ieder zich aangetrokken voelde. Adelbert zou bovendien van niemand iets verwachten waarvoor hij niet door zijn eigen gedrag zelf het goede voorbeeld had gegeven. Pater Dries van den Akker kwam tot deze conclusie: “een krachtige persoon die pioniersgeest bezat en initiatieven ontplooide, en die met woord en daad van het evangelie wist te getuigen in een wereld die daar niet vanzelfsprekend ontvankelijk voor was.”

Het verhaal van Adelbert mag dan misschien een ‘sterk verhaal’ zijn in de zin dat vele gebeurtenissen eruit niet erg waarschijnlijk zijn, maar het is ook ‘sterk’ in de zin van krachtig. Het werd immers door de eeuwen heen doorgegeven. De boodschap van enthousiaste, succesvolle geloofs­verkondiging en diep godsvertrouwen ging niet verloren. Dit verhaal bleef blijkbaar de moeite waard om te vertellen, lezen, bestuderen, uit te beelden, levend te houden. Bij die traditie sluit onze geloofsgemeenschap zich ook in de 21e eeuw graag aan.