U bent hier: Parochie / Stadsprojecten / Bedevaarten / Reisverslag Israël mei 2012
Laatst gewijzigd: 21-07-2013

Reisverslag Israël mei 2012

Pelgrimsreis St.-Ursula Parochie Delft. 2012.

1 Mei. Dinsdagmorgen halfzeven komen we aan bij de Sacramentskerk. De reis naar Israël gaat beginnen. Corina van der Ende, pastor Tjeerd Visser, pastoor Ben Bolmer en meerdere reisgenoten staan al bij en in de bus. Tjeerd en Corina hebben de leiding van onze pelgrimsreis. Corina heeft de stoffelijke kant op zich genomen en pastor Tjeerd zal zorgen dat we pastoraal niets te kort zullen komen. De bus rijdt weg om kwart voor zeven, zodat we ruim op tijd op Schiphol aanwezig kunnen zijn. Meneer pastoor en de wegbrengers zwaaien ons uit.

Op Schiphol aangekomen staat een medewerker van de VNB ons al op te wachten. Hij brengt ons naar balie 32 van El Al waar we, na grondig te zijn gecontroleerd, worden ingecheckt. Corina met Smiley komt als laatste het vliegtuig in. Om tien voor halftwaalf gaan we de lucht in. Het wordt een vlucht met veel bewolking. Van de landen waar we overheen vliegen is een enkele keer iets te zien. Na vier uur vliegen - door het uur tijdsverschil - vijf uur later zien we vliegend boven de Middellandse Zee, plotseling Israël opdoemen. Beneden ons, ligt aan het strand, een stad. De piloot zet de landing in; de huizenmassa’s worden gebouwen die we kunnen onderscheiden. Even later ligt onder ons Tel Aviv, aan de rivier de Jarkon, waar onze pelgrimage gaat beginnen. In het Bijbelboek Ezechiël 3, 15 “Ik kwam weer in Tel-Abib, bij de ballingen die wonen bij het Kebarkanaal.” Daar zat ik zeven dagen in hun midden”, wordt de plaats al genoemd. Na geland te zijn op het vliegveld Ben Goerion gaan we via de douane naar ‘onze eigen’ gereedstaande bus. Aehab de gids staat ons al op te wachten. Hij spreekt Nederlands; hij is getrouwd met een Nederlandse en heeft drie jaar in Nederland gewoond. Bij het instappen worden we verwelkomt door Fakhri ‘onze vaste chauffeur’ voor de reis. Nadat iedereen een plaats heeft rijden we naar hotel Metropolitan in Tel Aviv om daar de eerste nacht, die we in Israël zijn, door te brengen. Na de koffers in de kamers te hebben gezet en ons opgefrist te hebben gaan we naar beneden voor het diner. In een van de zalen van het hotel vieren we de Mis. Pastor Tjeerd gaat voor; we danken de HEER voor de veilige aankomst. Na afloop van de viering loopt een gedeelte van de groep naar de boulevard en wandelt nog wat langs het strand van de Middellandse Zee. Daarna zoekt iedereen z’n bed op.

Woensdag 2 mei. De tweede dag van onze reis, staan we vroeg op en rijden om zeven uur weg. De reis gaat vandaag naar Noord-Israël, naar de stad Tiberias aan het Meer van Galilea ook wel het Meer van Tiberias genoemd. We hebben een druk programma. Tijdens de rit zullen we verschillende plaatsen van het Beloofde Land aandoen.

De eerste plaats waar we stoppen is het antieke Ceasarea, prachtig gelegen aan de Middellandse Zee. In deze stad toonde Jezus ons, nadat Hij naar Zijn Vader was teruggekeerd, dat Hij ook voor ons niet Joden gestorven is. Handelingen 10, 45: “De Joodse gelovigen die met Petrus waren meegekomen, zagen vol verbazing dat ook heidenen het geschenk van de Heilige Geest ontvingen, want ze hoorden hen in klanktaal spreken en god prijzen”.

Aehab, onze gids, neemt ons eerst mee naar de filmzaal van het complex. Na de film over de geschiedenis van de stad neemt hij ons mee ‘de stad’ in. Tijdens de rondleiding vertelt hij over de restanten die we tegen komen. Ceaserea is in de tijd dat Israël werd overheerst door de Romeinen, gesticht door koning Herodes de Grote; hij zorgde voor bloei en welvaart in Israël. Zijn bijnaam was, naast die van ‘Kindermoordenaar van Bethlehem’, ‘Herodes de Bouwer’. Het geheel gerestaureerde amfitheater dat we bezoeken bouwde hij tussen 22 en 10 v. Chr. ter ere van zijn keizerlijke Romeinse weldoeners keizer Augustus ‘Ceasarea’. Tegenwoordig worden er jaarlijks concerten en uitvoeringen gegeven met de Middellandse Zee als decor. Toen Jezus op aarde was werd het theater gebruikt om de toneelstukken en de werken van o.a. beroemde Griekse schrijvers, zoals Sofokles en Aristofanes op te voeren. Voor de intelligentsia en de elite van die tijd zorgde Herodes dat er vierduizend een zitplaats hadden. De akoestiek is ook nu nog geweldig. Toen er op het podium beneden kinderen een lied zongen konden we dat op onze zitplaats, in de bovenste ring, prima horen. De pilaren op het podium liet Herodes uit Aswan in Egypte komen. Het theater heeft vijf ingangen. Destijds stond boven de zitplaatsen en het podium een constructie waarover een doek (velum) getrokken werd. De spelers en de toeschouwers zaten daardoor, tijdens de voorstelling, bij regen droog en bij een hoogstaande zon in de schaduw en uit de hitte. Vervolgens lopen we over oude straten langs restanten van winkels naar het strand. Daar liggen, in het zeewater, de overblijfselen van wat eens het paleizencomplex van koning Herodes was. Door opgravingen en een gevonden naamsteen blijkt hier ook een paleis van Pontius Pilatus te hebben gestaan. Door alles wat we zien krijg je het idee dat het vroeger een stad met keizerlijke allure is geweest. We lopen langs de stenen tribunes en restanten van wat eens een Circus is geweest voor twaalfduizend toeschouwers. Vroeger werden er paardenrennen, worstel- en andere sportwedstrijden georganiseerd. Executies werden er uitgevoerd en gladiatoren stierven er de heldendood; dit tot vermaak van de gewone man van die tijd.

De Apostel der heidenen, St.-Paulus heeft hier twee jaar in de catacomben van het Circus gevangen gezeten, voordat hij door de Romeinse stadhouder Felix naar Rome werd overgebracht om daar de marteldood te sterven. Destijds was Ceasarea een belangrijke havenplaats van de Romeinse vloot en lag de stad dichter aan zee. Er is niet veel meer van de grote bouwwerken over; ze werden te dicht aan zee gebouwd. Door stormen met de daarbij gepaard gaande overstromingen is het meeste ervan in zee gespoeld. Landinwaarts ligt het Romeinse aquaduct dat de stad van zoetwater heeft voorzien. We laten Ceasarea achter ons en rijden de weg op naar de belangrijkste havenstad van Israël, Haifa. De wegbewijzering geeft de afstand van vijfentwintig kilometer aan. Haifa, dat ‘Mooie kust’ betekend, is gedeeltelijk gebouwd op de berg Karmel of de ‘Wijngaard van de Heer’ aan de Baai van Akko. Als we de stad in het vizier krijgen rijden we op de helling van de berg. Boven de stad uit torent een graansilo van wel zeventig meter hoog.  Voordat we het centrum inrijden stoppen we langs de kant van de weg. We hebben uitzicht op de Bahái-tempel en de stad in het dal. We rijden verder. In het centrum van Haifa stoppen we. Na de warme lunch in het restaurant van het Karmelietenklooster Stella Maris brengt Fakhri ons naar de Bahái-tempel. Hoog, tegen de helling van de Karmel aan, ligt midden tussen zeven fraaie getrapte Oosterse tuinen met groene gazons, palmen en cipressen, boven aan een lange witte marmeren trap, het ‘Universele huis van de Gerechtigheid’, der Bahái’s.* De gouden koepel schittert glanzend in het zonlicht. De Báb, de stichter van het geloof, werd er in 1892 bijgezet in een mausoleum. Nadat we uitgebreid foto’s hebben gemaakt rijden we terug naar Stella Maris voor de Mis. Pastor Tjeerd celebreert de Mis in de kapel van het klooster. Na de Eucharistie te hebben bijgewoond bewonderen we de kerk van het kloostercomplex. In de voortuin staat een piramide, het is de herdenkingszuil voor de door de Turken in het jaar 1799 afgeslachte Franse soldaten die gewond waren geraakt bij de slag om Akko. Voordat de rondleiding verder gaat verteld Aehab dat voordat het klooster Stella Maris in 1836 werd gebouwd er op dezelfde plek een klooster stond dat dienst deed als hospitaal voor de soldaten van Napoleon. Op de terugtocht van zijn leger voor de Ottomaanse soldaten moest hij zijn gewonde soldaten hier achter laten. Aehab neemt ons mee de kerk in. Terwijl hij over de bezienswaardigheden vertelt wijst hij omhoog. Boven in de koepel zien we kleurrijke fresco’s. Het zijn voorstellingen uit het Oude Testament. Een afbeelding die opvalt is die van een hevige storm en vurige vlammen waarin woeste paarden met vleugels, hoog de lucht in galopperend, voor een wagen met de Profeet; de voorstelling van Elia’s ten hemel opneming (2 Koningen 2, 1-11). Het mooie Maria beeld op het Hoogaltaar van het klooster is gesneden uit cederhout van de Libanon. Op het altaar van de kloosterkapel branden kaarsen. Elke kaars staat voor een Karmelieten- of Karmelietessengemeenschap waar ook ter wereld. Links op het altaar brandt de kaars voor de Amerikaanse orde. Onder het altaar bevindt zich het heiligdom. De grot waar de Profeet Elia woonde voordat hij de vierhonderdvijftig profeten van Baäl ontmoette die werden onthoofd bij de beek Kison (1 Koningen 18, 20-29). Volgens een legende hebben Maria en Jozef er ook tijdelijk onderdak gevonden. We zitten weer in de bus en rijden naar het pittoreske centrum van Akko. We maken een wandeling langs het vissershaventje, de visafslag en de kleine winkeltjes. De straatjes zijn vrij smal. Door de paarden met ruiters en het verkeer dat ons van twee kanten passeert waaiert de groep nogal uit. Aehab loopt daarom met de Nederlandse driekleur voorop. Corina sluit de rij met Smiley. Na Akko brengt de bus ons verder naar het noorden van Israël, naar Tiberias. ‘De woestijn zal bloeien als een roos’ zien we als we Galilea binnen rijden. De grond is vruchtbaar. Het koren is gemaaid en binnen gehaald. De boeren zijn volop bezig met de eerste oogst van het jaar. In het najaar begint de tweede. In de boomgaarden hangen aan de bomen volop de beginnende en rijpe vruchten van avocado’s, bananen, mango’s en andere zuidvruchten. Jaffa-sinasappelen, aardbeien, tomaten, meloenen, komkommers en verse groenten worden langs de autoweg te koop aangeboden. Aan het eind van de middag komen we aan bij ons hotel in Tiberias. In het Golan Hotel zullen we de komende drie nachten verblijven.

* Bahá?isme (Baha?i-geloof) monotheïstisch, door Bahá?u?lláh in het midden van de negentiende eeuw, in het voormalige Perzië, (Iran) gestichte godsdienst, die er aanspraak op maakt de toekomstige universele religie van de mensheid te zijn. Het geloof kent geen geestelijken, ingewijden of riten. Het Baha?i-geloof is voortgekomen uit de Islám. Het is echter een zelfstandige geloofsvorm en geen Islamitische sekte. Volgens de Bahá’u’llah is de wereld één land waarin alle mensen broeders en zusters zijn. Van alle godsdiensten wordt de goddelijke oorsprong erkend.

Donderdag 3 mei. De derde dag van onze bezinningstocht. We zijn in Tiberias, een Heilige plaats aan het Meer van Gallilea. In deze omgeving heeft Jezus veel wonderen verricht en gepredikt. Hier bedaarde Hij de storm op het meer, liep Hij over het water en voedde Hij vijfduizend mensen met vijf broden en twee vissen. In deze omgeving sprak Hij ‘De Bergrede’ uit. Vandaag gaan we naar de Berg van de Zaligsprekingen, de Kapel van het Primaat van Petrus en Mensa Christi. Vervolgens naar Tabgha, Kafarnaüm en het kleine plaatsje Magdala.

Wij beginnen de dag om acht uur met een viering op de Berg van de Zaligsprekingen. In de open lucht, in de prachtige tuin van de gelijknamige kerk vieren we de Eucharistie. Vanaf de honderd meter hoge heuvel hebben we uitzicht op het Meer van Gallilea waar Jezus zijn eerste vier apostelen, Petrus en zijn broer Andreas en de broers Johannes en Jacobus, riep om Hem te volgen. Lucas 5, 11 “En als zij de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden Hem.” Op meerdere plekken in de tuin houden bedevaartgangers uit diverse landen hun vieringen. De berg ademt het Evangelie. Tijdens de preek van Tjeerd haal ik me de voorstelling voor de geest, hoe Jezus hier op deze berg Zijn eerste belangrijke onderwijzingen aan de mensen gaf, de leer vanuit liefde. In het gebed na de preek weet Tjeerd ons te raken. Hij beroert niet alleen mij. Om mij heen hoor ik neuzen ophalen en neuzen snuiten. Bij die en gene wordt er een traan weggepinkt. Een paar pelgrims gebruiken een zakdoek en laten hun tranen in stilte de vrije loop. De Zaligsprekingen - ook wel De kleine Catechismus van Christus genoemd - vormen het begin van de verkondigingen van Jezus aan de mensen.

Aan het eind van de viering legt Tjeerd ons twee vragen voor die we met een ander tijdens de afdaling moeten bespreken. De eerste vraag die hij ons stelt is: “Hoe ga je om met het kruis dat je met je mee draagt?”De tweede vraag die hij ons voorlegt is: “Hoe kan ik licht brengen in het leven van een ander?” Na de Mis lopen we met tussen pozen, twee aan twee de berg af. Ik loop als laatste mee met pastor Tjeerd. Degenen die het niet aandurven de helling af te dalen gaan met de bus naar beneden. Onder aan de berg zijn de pastor en ik het er over eens dat het antwoord op beide vragen dezelfde is; jezelf wegcijferen en niet aan je eigen voordeel denken. Je inzetten voor het geluk van de mensen om je heen in de grootst mogelijke kring. Dit geeft je de meeste voldoening. Ik ga nog een stap verder. Mensen die huichelen je vriend te zijn, maar elke keer weer van je goedheid misbruik maken, mag je de andere wang toe keren. Dit voor de vreugde en geluk in het leven van jezelf. Ons volgende doel is Tabgha. We bezoeken daar de kerk van de Franciscanen, de Kapel van St.-Petrus of Primaatkapel en Mensa Christi. De kerk is gebouwd op de plek van het kampvuur dat brandde in Johannes 21, 9. De Kerk herdenkt  daarmee de derde verschijning van Jezus aan zijn leerlingen, na Zijn verrijzenis. De Heer nodigde hen op deze plek uit voor het middagmaal. De kale rotssteen, naast het altaar in de kerk, heeft als tafel gediend bij de maaltijd. Die tafel noemden de eerste pelgrims de Mensa Christi of Tabula Domini, de ‘Tafel van de Heer’. Volgens overlevering zou Jezus hier de apostel Petrus hebben aangesteld tot hoofd van de Kerk, waarbij Hij de volgende woorden sprak: “Weid mijn lammeren, hoed mijn schapen” (Johannes 21, 15-16). De kerk ligt ongeveer vijfhonderd meter van de plek waar Jezus vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen voedde met vijf broden en twee vissen (Johannes 6, 9-13). Tijdens het bezoek aan de kerk verteld Aehab over de vloermozaïeken van vogels, bloemen en planten. Op de plek waar Jezus de broden en vissen heeft neergelegd ligt het mooiste mozaïek, de mand met broden en vissen. Wij tellen geen vijf maar vier broden in de mand. “Waar is het vijfde brood?” is de vraag die bij ons opkomt. Marcus 6, 35-44 geeft het mooiste antwoord: “bij Jezus.” Buiten de kerk, aan het meer, liggen zes dubbele en hartvormige stenen die de apostelen symboliseren; ze worden de Twaalf Tronen genoemd.

Na het nuttigen van het meegebrachte lunchpakket in de tuin van Primaatkapel gaat de reis verder naar de plaats waar eens, volgens het Evangelie van Lucas, de apostelen Petrus, Andreas, Jacobus, Johannes en Matteüs hebben gewoond. Fakhri rijdt ons naar het middelpunt van het geestelijke werk van Jezus in Gallilea, naar het centrum van Kafarnaüm, ‘de thuisstad van Jezus’ (Matteüs 9, 1). Aehab stapt als eerste uit de bus. Als we bij hem staan vertelt hij over de wonderen die Jezus hier in Kafarnaüm heeft verricht toen Hij hier twintig maanden woonde (Matteüs 4, 3). Voor en in de synagoge predikte Hij het Woord. Hier in Kafarnaüm dreef Hij bij een man de kwade geesten uit, genas Petrus schoonmoeder, de bloedvloeiende vrouw, de verlamde man die door het dak werd neergelaten, de twee blinden, de zoon van de koninklijke hoveling en de man met de verdorde hand. Verder genas Hij hier vele andere zieken die bij Hem gebracht werden. We lopen, in de voetstappen van Jezus, de straten van de oude stad in. In het oude centrum lopen we tussen de overblijfselen van de oude synagoge en ruïnes van gebouwen. Restanten van overdadig versierd beeldhouwwerk ligt overal om ons heen. Het doet mij denken aan de voorspellingen van Jezus over deze plaats. Matteüs 11, 23 “En jij dan Kafarnaüm, je denkt toch niet dat je tot in de hemel zult worden verheven? In het diepste van het dodenrijk zul je afdalen! Want als in Sodom de wonderen waren gebeurd die bij jou gebeurd zijn, dan was het tot op de huidige dag blijven bestaan.” In de Romeins-Israëlische-oorlog, die duurde van 67-70 n. Chr. kwam de vervloeking van Jezus uit. Kafarnaüm werd door de Romeinen met de grond gelijk gemaakt.

De synagoge waarvan we de ruïnes zien, is volgens Lucas 7, 3-5 precies op de plek gebouwd waar Jezus de dienstknecht van een Romeinse Centurion genezen heeft. Het dochtertje van Jaïres, de leider van de synagoge, wekte Hij hier op uit de dood (Lucas 8, 49-53). Een hoogtepunt is ons bezoek aan het huis van Petrus, waar Jezus de schoonmoeder van Petrus genas. In de helft van de vierde eeuw werd boven het huis een grote kerk gebouwd, waarvan de grote mozaïekvloer nog te zien is. In het midden van de vloer staat het huis van Petrus. Enkele jaren geleden werd door de Franciscaner monniken op de funderingen van die kerk, een moderne zeshoekige pelgrimskerk, de huidige Sint Pieter Kerk gebouwd. In het midden van de kerk liggen, onder glas, de mozaïekvloer en de overblijfselen van het huis van Petrus. Het huis van Petrus was eenvoudig, net als de vele andere woningen die de archeologen hier hebben opgegraven. Op de muren zijn door de eeuwen heen, door christelijke pelgrims, veel inscripties achtergelaten. De naam van Jezus komt regelmatig voor, net als die van Petrus, in combinatie met kruisen, namen van pelgrims en zegeningen. De schilderingen op de muren in de kerk, zowel op de oude als op de nieuwe, getuigen van een voortdurende eerbied voor de plaats van de genezingsverhalen in de Evangeliën. Wat een reis! Ik ben stil en ingetogen van alle indrukken en gedachten die bij mij opkomen. En het is pas de derde dag van onze reis en de dag is nog niet voorbij. We nemen afscheid van ook deze Heilige plaats en rijden door een prachtig landschap naar het volgende reisdoel. Langs de oever van het Meer van Gallilea brengt de bus ons gezelschap naar het plaatsje Magdala. Wanneer Fakhri de weg naar Magdala wil afslaan, staat er voor de afrit een bord dat aangeeft dat Magdala voor toeristen gesloten is. Later horen we in Jeruzalem van Father Gelly waarom Magdala gesloten is. Men is er bezig met het opgraven van - naar alle waarschijnlijkheid - de oudste synagoge, ooit gevonden in Israël. Hoewel we er niet zijn geweest, wil ik u een korte geschiedenis ervan niet onthouden. Het oude Magdala was in de tijd dat Jezus op aarde leefde een belangrijke stad. Botenbouwers, wolverfvers en vissers hadden er hun eigen woonwijken. Volgens oude bronnen waren er wel tachtig winkels waar men fijne wol verkocht. In het prachtige landschap rond Magdala liggen de indrukwekkende Arbel Rotsen en de Vallei der Duiven. De bekendste inwoonster die ooit in Magdala gewoond heeft is Maria Magdalena. Zij was, zoals wij weten, een volgelinge van Jezus; zij was één van de eersten aan wie Jezus zich openbaarde, na Zijn opstanding. (Matteüs 28, 9). In het Zuiden van Frankrijk beweert men dat Maria Magdalena daar het Evangelie heeft verkondigd en het Christendom bracht. Het Magdala van nu kreeg in 1948 haar oude naam terug, daarvoor was de naam van het dorp Al-Majdal. Toen de Arabisch-Israëlische-oorlog uitbrak verlieten de Arabische inwoners het dorp. Israël voegde het daarna toe aan haar grondgebied.

Vrijdag, 4 mei. Dodenherdenking. Uitslapen tot halfacht. Wassen, aankleden, ontbijten en de bus in. We gaan varen. Chauffeur Fakhri rijdt ons naar de aanlegsteiger. De boot - alleen onze groep is aan boord - zal ons naar Ein Gev brengen, aan de zuidelijke oever van het Meer van Gallilea. De bus met Fakhri staat daar dan om ons na het bezoek aan de kibboets verder te rijden naar de heilige rivier de Jordaan voor het vernieuwen van onze doopbelofte.

We varen het meer over. In de verte ligt de Golan-hoogvlakte. Als we drie kwartier gevaren hebben stopt de motor en ligt de boot stil, midden op een spiegelglad en muisstil meer, voor een korte overweging. Pastor Tjeerd leest Matteüs: “Hij zei:‘Kom!’Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij voelde hoe sterk de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en schreeuwde het uit: “Heer red me!’ meteen strekte Jezus zijn hand uit, Hij greep hem vast en zei: “Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?” Toen ze in de boot stapten, ging de wind liggen. In de boot bogen de anderen zich voor Hem neer en zeiden: “U bent werkelijk Gods Zoon!”.

Daarna bidden we, zoals na elk Bijbelmoment, samen het Onze Vader en het Wees gegroet Maria. Hierna varen we verder naar het zuiden. Ein Gev komt in zicht. We leggen aan in de haven en de groep gaat van boord. We bezoeken de kibboets. Eén van de tweehonderd zeventig kibboetsen van Israël. Opmerkelijk is het dat de coöperatieve boerderijen bewoond worden door slechts anderhalf procent van de Israëlische bevolking. Ein Gev is gesticht op 6 juli 1937 tijden de Arabische opstand van 1936-1939, toen Israël nog Palestina genoemd werd. Vooral jonge mensen, voornamelijk joodse immigranten uit Tsjecho-Slowakije, Duitsland, Oostenrijk en de Baltische landen, op de vlucht voor Hitler Duitsland, waren de eerste kolonisten die zich er vestigden. De kibboets lag destijds in ruig onontgonnen gebied, tegen de Syrische grens aan. Rondom de nederzetting stond een houten palissade met een uitkijktoren die steeds werd bemand. De inwoners moesten tot 1967 voortdurend op hun hoede zijn voor beschietingen en overvallen door Arabische bendes. Na de Zesdaagse oorlog is dat gevaar geweken. Israël verdreef de Syrische strijdkrachten van de Golan. Vroeger woonden er vierhonderdvijftig mensen, tegenwoordig heeft Ein Gev tweehonderdvijftig inwoners. Toerisme en landbouw zijn de belangrijkste bronnen van inkomsten. Aehab neemt ons mee de kibboets op. Bij de koeien, pinken, kalveren en steekvliegen geeft hij een uiteenzetting op welke wijze het werk verdeeld wordt over de bewoners. Ieder heeft er zijn taak en krijgt daarvoor, naast kost en inwoning, maandelijks zakgeld. Op de akkers, in de verre omtrek rond de kibboets, verbouwt men nagenoeg alle land- en tuinbouwproducten die in Israël willen groeien. Na een korte wandeling door het buurtschap, lopen we naar het restaurant van de kibboets voor de lunch. Op het terras - het is vrijdag - wordt voornamelijk geroosterde St.-Petrusvis geserveerd. Na het lekkere eten is er gelegenheid om te zwemmen in het meer van Galilea. Wie niet gaat zwemmen kan een duik nemen in de souvenirwinkel van de kibboets. We rijden weer, ons volgende doel is de Jordaan. De Jordaan wordt meer dan tweehonderd keer in de Bijbel genoemd. Al in Bijbelse tijden werd de Jordaan als heilig beschouwd. De profeet Elia sloeg met zijn mantel op het water waardoor het water naar twee kanten wegvloeide en hij, zonder natte voeten te krijgen, de rivier kon oversteken. Naäman, de legeraanvoerder werd van zijn huidziekte genezen door zich zevenmaal onder te dompelen in de Jordaan.

De bus stopt bij de oever van de rivier. We stappen uit op één van de Heiligste plekken op aarde. Op deze plek kwam de Drie Eenheid samen en ging de Hemel open. Hier sprak de HEER de mensen toe, terwijl de Heilige Geest neerdaalde op Zijn Zoon Jezus, nadat Johannes de Doper Hem gedoopt had in de Jordaan. Matteüs 3, 16-17 “Zodra Jezus gedoopt was en uit het water omhoogkwam, opende de hemel zich voor Hem en zag Hij hoe de Geest van God als een duif op Hem neerdaalde. En uit de hemel klonk een stem: “Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind ik vreugde.” Tjeerd zegt ons dat we niet opnieuw door hem gedoopt zullen worden. We mogen wel op blote voeten in de Jordaan stappen. Eén voor één stappen diegenen die dat willen het water in. Na handen en eventueel het gezicht gewassen te hebben krijgt elk van pastor Tjeerd een kruisje met Jordaan-water op het voorhoofd.

Om ons heen worden gelovigen, met het doopkleed aan, in de Jordaan door geestelijken gedoopt. Als iedereen van onze pelgrimsgroep weer op de kant staat, de sokken en schoenen weer aan heeft, leest Tjeerd een passend gedeelte voor uit de Bijbel. Daarna bidden we samen het Credo.

Na de geloofsbelijdenis verlaten we de Heilige plek. Deze hernieuwing van onze doopbelofte zal ik niet snel vergeten. Ik hoop dat iedereen die in het water heeft gestaan, het op dezelfde wijze heeft beleeft als ik. De reis gaat verder. Onderweg naar het hotel bezoeken we de grote supermarkt van de kibboets Knerr. Het is een ‘Winkel van Sinkel’. Potten, pannen, kruiden, honing, noem maar op, of het is er te koop. Om zeven uur, gedenkt de St-Ursula Parochie van Delft in de Sacramentskerk de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Daarna loopt men in stilte de tocht naar het Monument aan de Oranje Plantage, om daar de doden te herdenken.

Wij herdenken, op datzelfde moment, hier in Israël de oorlogsdoden samen met dertig pelgrims uit Twente en Amersfoort. Zij zijn aan het eind van de middag gearriveerd en zullen een nacht in het hotel doorbrengen. Met z’n allen passen we net op het grote balkon dat bij de lobby van het hotel hoort. Voordat het negen uur is leest pastor Frank Beuger van de nieuwkomers ‘Het lied van de achttien doden’ van Jan Campert voor. Precies om negen uur houden we twee minuten stilte en zingen daarna gezamenlijk het Wilhelmus. Na in stilte het terras verlaten te hebben, wordt het in de lobby nog een gezellig samenzijn. Na de geloofsmomenten, het geen we gezien hebben en de wetenswaardigheden van de dag nog eens doorgenomen te hebben is het bedtijd. Het is onze laatste nacht in Tiberias. Morgenochtend gaan we naar Kana om daar de Kerk van het Wijnwonder te bezoeken.

Zaterdag 5 mei. Sabbat, de vijfde dag van onze bedevaart in Israël. Ook deze dag schitterend weer. Al vier dagen lang een blauwe lucht en vierendertig graden Celsius. Het verkeer is minder intens. Het openbaar vervoer rijdt niet op de sabbatsdag. De pelgrimstocht gaat vandaag naar drie heilige plaatsen. Eerst bezoeken we het dorpje Kana, dat al als stad werd genoemd in Egyptische teksten van twintig eeuwen v. Chr. Daarna rijden we zes kilometer verder naar Nazareth. De eindbestemming is vandaag Bethlehem, de geboorteplaats van onze lieve Heer. In hotel Santa Maria zullen we daar overnachten.

Rijdend door de heuvels worden we opnieuw verrast op prachtige panorama’s. We hebben uitzicht op woestijnachtige bergen en dalen. Even later weer op bossen, boomgaarden en verzorgde akkers met gewassen. Kana komt in zicht. Het plaatsje heeft zijn bekendheid verworven door het eerste wonder dat Jezus in zijn leven hier op aarde verrichtte. Op aandringen van zijn moeder Maria veranderde Hij hier zes kruiken water in wijn: Johannes 2, 11 “Dit heeft Jezus in Kana, in Gallilea, gedaan als eerste wonderteken; Hij toonde zo zijn grootheid en zijn leerlingen geloofden in hem.” Op de plaats van de bruiloftszaal, waar het wonder plaats had, staat sinds de vorige eeuw een katholiek kerk. In de crypte zien we een grote waterkruik staan zoals die bij de bruiloft werd gebruikt. Aehab vertelt dat de twee torens van de Kerk van het Wijnwonder het huwelijk symboliseren. De ene toren stelt de man voor, de andere toren staat voor de vrouw.

Veel pelgrims die hier een bezoek brengen hernieuwen in deze kerk hun huwelijksbelofte. Kana is ook bekend door de toezegging die Jezus nogmaals hier aan Petrus heeft gedaan over de Moederkerk: Matteüs 16, 18-19 “ En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen. Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat op je aarde bindend verklaard zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.” Jaren later werd Petrus er opnieuw op aangesproken door Jezus. Tijdens de vlucht van Petrus uit Rome verscheen de Heer. Petrus sprak Hem aan: “Domine Quo Vadis”; “Heer waar gaat Gij heen?” Jezus antwoordde Petrus: “Daar gij mijn kudde verlaat ga ik naar Rome om mij ten tweede male te laten kruisigen”. Na deze woorden keerde Petrus terug naar Rome om zijn missiewerk voort te zetten en Zijn opdracht uit te voeren.

Na in de Kerk van het Wijnwonder een kaarsje bij St-Anthonius te hebben aangestoken gaan we, na een bezoek aan een souvenirwinkel waar we Kanawijn proeven, terug naar de bus. We rijden Kana uit en draaien de weg op naar het grote en drukke Nazareth, de stad waar de aartsengel Gabriël aan Maria verscheen. Onderweg ernaartoe zien we in de vlakte van Jizreël een hoge afgeronde knobbel liggen, het is de heilige berg Tabor. Op deze berg speelden zich in de loop van de geschiedenis veel gebeurtenissen af. In de Bijbel staat dat Jezus met de apostelen Petrus, Jacobus en Johannes naar de top van de berg ging waar Mozes en Elia zich bij hen voegden; dit is de berg waar Jezus werd verheerlijkt en van gedaante veranderde.

In de tijd van het Oude Testament versloeg Barak, onder aansporing van de profetes Deborah, er het leger van de Kanaänieten (Rechters 4, 14). Later in het begin van onze jaartelling bevochten Syrië en de Romeinen er de Joden en Saladin bond er de strijd aan met de Kruisvaarders. We rijden door de moderne buitenwijken, aan het aantal kerken zien we dat we het oude centrum van Nazareth naderen. Na aankomst in het belangrijke bedevaartsoord van de Christenen gaan we eerst lunchen. Het was het de bedoeling dat we de Eucharistie zouden vieren in de Basaliek van Maria Boodschap. Om onduidelijke redenen vieren we de Mis om elf uur in de kerk ernaast, de St.-Jozef Kerk. Na de viering bezichtigen we de kerk die is gebouwd op de plek waar Jozef zijn timmerwerkplaat heeft gestaan. In de kerk is via een rooster een woongrot zichtbaar met twee lage ingangen. In de grot staat een ronde steen die als tafel diende. In de zijwant zit een opening voor verse lucht. De nis in de wand diende voor een olielamp en de stenen voorraadbak voor drinkwater. Van de plek waar jozef eens hout bewerkte lopen we naar de Basiliek van Maria Boodschap, ook wel de Kerk van de Aankondiging genoemd. De basiliek staat boven de grotwoning waar Maria en Jozef woonden en Jezus is opgegroeid. Op de fundamenten van vier eerdere kerken is de huidige kerk gebouwd. Met de bouw werd begonnen in 1955. In 1967 werd de kerk voltooid en in gebruik genomen. Het is de grootste kerk van Israël en van het gehele Midden-Oosten. Aan de gevel prijken in reliëf, de engel Gabriël en Maria. Op de gevel, in het midden van het versierde overstek, staat het beeld van Jezus. Boven de deuren, in de witte kerkstenen uitgehakt, kijken  de vier evangelisten op ons neer; Matteüs met de mens, Marcus met de leeuw, Lucas met de stier en Johannes met de adelaar. Midden op het schip van de kerk staat een fraaie achthoekige koepel, met een diameter van achttien meter en een hoogte van achtenvijftig meter. De afbeeldingen op de zware koperen toegangsdeuren geven het levensverhaal van Jezus weer. De deuren zijn gemaakt in Nederland en geschonken door de Nederlandse kerkprovincie. Het interieur in de kerk is om van te genieten. De gebrandschilderde ramen en de muren zijn rijkelijk versierd met kleurrijke Maria en Kind kunstwerken. Vele landen hebben een afbeelding geschonken. Op de stijlvolle mozaïeken uit alle werelddelen staan Maria en Jezus verschillend afgebeeld. Op het éne als blanke, op de andere worden Moeder en Kind weer afgebeeld als neger of op z’n Japans: Maria in kimono. Eén beeld springt eruit. Achter een smeedijzeren hekwerk staat een prachtig Mariabeeld, voor een groot deel bezet met echte parels. De waarde ervan zal zeker een bedrag met zes nullen vertegenwoordigen. Toen ik, elke keer opnieuw, probeerde het beeld te fotograferen, kwamen er steeds weer donkere strepen op de foto’s. Later begreep ik dat het ultra rode detectie stralen geweest moeten zijn om het beeld tegen grijpgrage handen te beschermen. Na de viering lopen we het smalle marktstraatje in waar de Synagoge Kerk staat. De sobere kerk staat op de plek waar in Jezus tijd de synagoge heeft gestaan.

De synagoge waar Jezus, al tijdens Zijn jeugd, de mensen maande tot inkeer te komen. Na dit alles is de dag nog niet voorbij. We verlaten de stad waar Jezus opgroeide en rijden naar Bet She’an - het bed van Sjaan, zoals een van onze mede pelgrims dacht - in de vlakte van Jizreël. In Bet She’an gearriveerd zien we de indrukwekkende overblijfselen en ruïnes liggen van Scythopolis, een Romeinse stad uit de oudheid, waar eens veertigduizend Romeinen woonden. Op de achtergrond ligt een hoge heuvel waarop de Judas-boom staat uit de film Jezus Christ Superstar. De film is hier op locatie opgenomen. De ruïnestad ligt in een dal. De zon straalt, het is er behoorlijk warm. Een gedeelte van de groep gaat niet mee naar beneden. Zij blijven bij het restaurant op het terras in de schaduw zitten. Beneden aangekomen blijkt de temperatuur daar nog hoger. We worden door Aehab rondgeleid door het badhuis, het amfitheater en de Paladiusstraat. Hij vertelt dat de stad destijds strategisch gelegen lag. Vanaf de hoge heuvel, had men uitzicht naar alle kanten. De Romeinen konden zo controle uitoefenen vanaf de Middellandse Zee tot ver in het achterland. Opgravingen hebben aangetoond dat de stad al bewoond werd in 1500 v. Chr. In de geschriften van Farao Thoetmosis II werd Bet She’an al genoemd als behorend tot het Egyptisch Rijk. Gevonden voorwerpen ter plaatse, uit de XVIII en XIX dynastie hebben dit aangetoond. Archeologen vonden ook overblijfselen uit de tijd dat er Filistijnen woonden. Ook toonden opgravingen aan dat de vroege Gieken, de Hellenisten hier geleefd hebben. In Het Oude Testament wordt de plaats - toen Filistijns gebied - ook beschreven; in 1 Samuël 3, 1-10 staat: “Sauls wapenrusting kreeg een plaats in de tempel van Astarte en zijn lijk werd aan de stadsmuur van Bet Shean genageld.” Kort voor het jaar 1000 v. Chr. pleegde koning Saul, na de verloren oorlog tegen de Filistijnen, hier bij Bet She’an zelfmoord. Het wordt mij te warm, ik hou de rondleiding met de uitleg ervan voor gezien en ga naar boven naar het restaurant. Frisdranken, ijs, etenswaren en souvenirs worden er verkocht. Geld wordt aangepakt. Koffie is er niet te krijgen vanwege de sabbatsrust. De sterken onder ons, twaalf in getal, lopen de hele ruïnestad door tot onder aan de heuvel. Tot ieders verbazing op het terras beklimmen ze ook nog eens de hoge heuvel. Boven aangekomen bij de Judas-boom is iedereen duidelijk te onderscheiden. We zwaaien naar elkaar.

Even later zien we dat ze onder leiding van Smiley aan de terugtocht naar beneden beginnen. Nadat iedereen weer beneden is, uitgerust en gedronken heeft rijdt Fakhri ons naar Bethlehem, de geboorteplaats van Jezus. Bethlehem ligt in Palestijns gebied. Aan de grens van Israël met het Palestijnse gebied stopt de bus bij de controle post voor de muur, die bestaat uit hoge betonnen platen. Onze paspoorten worden niet gecontroleerd. We gaan de grens over en rijden direct door naar het Santa Maria hotel voor de overnachting. Koffers uitladen, naar de kamer, opfrissen, eten, nog een kleine wandeling maken en dan naar bed.

Zondag 6 mei. De zesde dag in het Heilige Land. We zijn alleen de ochtend van deze dag in Bethlehem. Bethlehem, de stad van David, waar de Messias geboren is. We worden vroeg gewekt door de receptie. Na het ontbijt gaan we naar het Herdersveld om daar om acht uur de Eucharistie te vieren. Vervolgens bezoeken we de Geboorte Kerk. Daarna gaan we souvenirs kopen in een Fair Trade winkel. Na de lunch rijden we naar ons hotel in Jeruzalem.

Aangekomen bij het Herdersveld zijn er al meerdere pelgrimsgroepen aanwezig. In de Heilige Kerstnacht, toen de Heilige Maagd moeder werd van Jezus ging “hier” de hemel open en zongen de engelen: Lucas 2, 14 “Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij lief heeft.” Na de inspirerende Mis in een heuse grot-kapel gaan we naar de stal waar Jezus is geboren. Vanaf het Herdersveld zien we de kerk al staan. Op de plek waar onze Verlosser geboren is heeft de Romeinse keizer Constantijn de Grote in 334 de Geboorte Kerk gebouwd. Uit onvrede tegen de Christelijke Byzantijnse regering kwamen de Samaritanen van Nabloes in 529 opstand. Zij plunderden de kerk en staken hem in brand. In opdracht van keizer Justianus I van Byzantium  werd de kerk herbouwd en kreeg het zijn huidige vorm. Toen de Perzen in 614 het Heilige Land binnen vielen verwoesten zij alle drieduizend kerken die het land telde. Alleen de Geboorte Kerk werd onaangeroerd gelaten; ook voor de Perzen was de plek heilig. De bouw aan de buitenkant van de kerk is sober, het lijkt wel een middeleeuwse vesting met een torentje. De kerk wordt gedeeld door drie geloofsstromingen; de Grieks Orthodoxe-, De Katholieke- en de Armeens Orthodoxe Kerk beheren elk een deel. Vroeger gaven drie deuren toegang tot de kerk. Twee zijn er dichtgemetseld tijdens de Ottomaanse overheersing van Israël. Wij gaan, diep voorovergebogen – of je wilt of niet, je gaat de kerk in met gepaste eerbied -  naar binnen door de overgebleven middelste poort. Men zegt dat poort laag is gehouden zodat in de tijd dat de Ottomaanse inval, de Turkse plunderaars er niet te paard naar binnen konden rijden. Door een kleine voorhal komen we binnen in de sober verlichte, imposante ruimte van het hoofdschip. Glimmend lichtgroen marmer bedekt de vloer. De Basiliek heeft een kruisvorm, we zien vijf galerijen, gedragen door vier rijen roodstenen pilaren met aan het einde daarvan een prachtig koor. De prachtige uit- en afbeeldingen in zilver en goud schitteren je toe. Tussen alle pilaren hangen vergulde kaarslampen. Ook in deze kerk zijn vele mozaïeken. Het bovengedeelte van de kerk en de muren zijn er mee versierd. Een van de voorstellingen die we zien is die van de Drie wijzen uit het Oosten, gekleed in Perzische klederdracht. Het prachtige Grieks Orthodoxe priesterkoor ligt direct boven de Geboortegrot. De rijen wachtenden voor ons is breed en lang. Het wachten duurt uren, maar het is de moeite waard. Eén ingang, met een trap zo breed dat slechts een persoon tegelijk naar beneden kan, leidt naar de grot onder het priesterkoor waar de Verlosser geboren is. De grot wordt verlicht door de vele zilveren en vergulde kaarslampen die er hangen. Op de plek waar Jezus geboren is ligt een zilveren ster op de vloer, met de Latijnse inscriptie: “Hic de Maria Virgine Jesus Christus natus est”; “Hier is Jezus Christus geboren uit de maagd Maria”. * De heilige kribbe staat, onder een roodfluwelen met gouddraad geborduurd, baldakijn aan de rechterzijde van de ster. Op deze plek hebben, toen het Kind er lag, de Wijzen uit het Oosten geknield gelegen. Matteüs 2, 11 “Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om eer te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre.” Het geheel maakt op mij een diepe indruk. Een intens gevoel van wat met “Het ware Kerstfeest”, werkelijk bedoeld wordt voel ik in me. Een van de gedachten die hier bij mij op komt is de aanhef die boven Johannes 1 staat geschreven: “Het Woord is mens geworden.

Rechts van de Geboortegrot bevindt zich een tweede grot, versiert met kleurrijke doeken; hier verbleven destijds de herders met hun schapen. Na een kniebuiging gemaakt te hebben ga ik via een andere trap naar boven. Na dit ontroerende bezoek zien we, wanneer we buiten staan, aan de overkant, de Kerk van de Moedermelk staan. Onder deze kerk bevindt zich de Melkgrot waar volgens de legende Maria eens een druppel moedermelk morste. Op het moment dat de druppel de grond raakte werd de grot plotsklaps in een stralend licht gehuld. De legende wordt in deze kerk herdacht.

Naast de Geboortekerk staat de Kerk van St.-Catharina van de Franciscanen waar op Kerstavond de nachtmis wordt opgedragen waarvan de televisiebeelden, rechtstreeks naar de gehele wereld worden uitgezonden. Na de lunch gaan we de bus in voor de laatste elf kilometer naar Jeruzalem. In de bus bedenk ik me dat we naar Jeruzalem gaan, niet voor de toeristische bezienswaardigheden; wij gaan als pelgrim naar Jeruzalem om de plaatsen te bezoeken waar Jezus leefde, gekruisigd, gestorven en verrezen is. Psalmen 122, 1-2: verheugd was ik toen ik hoorde: “Wij gaan naar het huis van de Heer.”; verheugd ben ik, nu onze voeten staan binnen je poorten Jeruzalem. Het National Hotel is de laatste vijf dagen van onze pelgrimstocht, de uitvalsbasis naar meerdere heilige plaatsen in het Heilige Land. Het hotel, waar we te gast zijn, is een moslim hotel; er wordt dan ook geen alcohol geschonken. Indien de reisorganisatie dit hotel bewust heeft uitgezocht vindt ik dat prima. Aanpassen en ontzegging hoort bij een bedevaart. De middag besteden we aan een wandeling door de oude stad van Jeruzalem. Na het diner, als het donker is, doen we een lichttoer door Jeruzalem. We komen langs de verlichte bezienswaardigheden, de regeringsgebouwen, de Minora en de bedevaartsplekken die we gaan bezoeken. Onderaan de Olijfberg stappen we uit om foto’s te maken van de oude stad beneden in het dal. We maken nog een stop. Nadat onze tassen nagekeken en gescand zijn door Israëlische militairen lopen we door naar het plein dat uitzicht geeft op het voorplein van de Klaagmuur. Na een keppel opgezet te hebben lopen Pastor Tjeerd, anderen en mijzelf naar de Klaagmuur om er te bidden.

*Door wetenschappelijk onderzoek, uit geschriften en verhalen en door mondelinge overlevering is vast komen te staan dat dit de juiste plek is waar Jezus geboren is.

Maandag 7 mei. De zevende dag van onze pelgrimage. Vandaag, uitslapen tot kwart over zes. Om halfacht, ontbijten en daarna de bus in. Het wordt een dag met veel bezinningsmomenten. Eerst worden we naar de top van de Olijfberg gebracht. Vervolgens gaan we te voet, via de Hemelvaartkapel en de Pater Nosterkerk, naar beneden. We brengen een bezoek aan Dominus Flevit om daarna door te lopen naar Hof van Olijven met de Kerk van de Doodstrijd. Ook staat een bezoek aan het graf van koning David op ons lijstje. En als het mogelijk is vieren we vanmiddag om halfvier de Eucharistie in de tuin van de mooiste kerk van Israël, de Sint Pieter in Gallicantu.

De Olijfberg heeft zijn naam te danken aan de vele olijfbomen die er in de tijd van Jezus de hellingen bedekten. Omdat de bomen het uitzicht belemmerden heeft de Romein Titus bij de belegering van Jeruzalem - voordat hij de stad liet verwoesten - alle bomen laten omhakken; ook de meeste olijfbomen in de Tuin van Getsemane zijn daardoor verloren gegaan. De Olijfberg is een bergketen met vier bergtoppen; de Gallileïschetop, de Hemelvaarttop, de Profetentop en de Corruptietop. Alle bergtoppen hebben hun naam te danken aan Bijbelse gebeurtenissen die op de Olijfberg hebben plaats gevonden. De Gallileïschetop wordt besproken in de Handelingen van de Apostelen, de naam Hemelvaarttop spreekt voor zichzelf; vanaf deze bergtop is Jezus ten hemel opgestegen. De Profetentop heeft zijn naam te danken aan de Profeten die er begraven liggen. De Corruptietop dankt zijn naam aan koning Salomo; op deze bergtop liet hij offerplaatsen aanleggen voor de afgoden van zijn buitenlandse vrouwen. 1 Koningen 11, 7-8 “Zo liet hij op een heuvel in de buurt van Jeruzalem een offerplaats maken ter ere van Kermos, de gruwelijke god van Moab, en ter ere van Moloch, de gruwelijke god van de Ammonieten. Voor al zijn buitenlandse vrouwen maakte hij eigen offerplaatsen, zodat zij wierook konden branden en offers konden brengen aan hun goden.

Koning Salomo stierf in 922 v. Chr. Toen koning Josia regeerde over de stammen van Israël werd de bergtop nogmaals beschreven in Koningen 2, 23, 13 “De offerplaatsen buiten de stad ten zuiden van de Berg van het verderf, die koning Salomo van Israël had laten oprichten voor Astarte, de gruwelijke godin van de Sidoniërs, de gruwelijke god van Moab, de weerzinwekkende god van Ammon werden door de koning ontwijd: hij sloeg de gewijde stenen aan stukken, hakte de Asjerapalen om en liet de gaten opvullen met de beenderen van mensen.” Op de Olijfberg, op de Hemelvaarttop aangekomen bij de Hemelvaartkapel worden we getrakteerd op schitterende panorama’s en vergezichten.

Vanaf de achthonderd meter hoge berg zien we om ons heen een paar olijfbomen staan. We hebben uitzicht op verschillende heiligdommen en bezienswaardigheden. Beneden aan de voet van de berg ligt Jeruzalem, de Tempelberg met zijn gouden Rotskoepel en de Al-Aqsa moskee met de zilveren koepel van de Heilige Sarcofaag. We zien het dal van Josafat met de Joodse graven liggen in de Kidronvallei. Daar ligt ook het graf van prins Absalon, de opstandige zoon van koning David. De profeet Zacharias werd, na te zijn gestenigd, daar begraven. Op de uitgestrekte begraafplaats staan honderd- tot tweehonderdduizend grafzerken. Volgens de joodse traditie zal bij de komst van de Messias op aarde op deze plek het Laatste Oordeel plaatsvinden. Joël 4, 2 “Ik zal alle volken bijeenbrengen en wegvoeren naar de vallei van Josafat om daar een oordeel over hen te vellen.” Al ver voor onze jaartelling lieten joden zich er begraven.

Corina start de wandeling. Aehab gaat ons voor bergafwaarts, opnieuw lopen wij in de voetstappen van Jezus. De Olijfberg was één van Zijn meest geliefde plaatsen. Jezus was het gewoon om bij het verlaten van Jeruzalem naar de Olijfberg te wandelen. Vaak bracht Hij hier ook de nachten door om de volgende morgen weer present te zijn in de Tempel. Lucas 21, 37 “Overdag gaf Hij onderricht in de Tempel, maar ’s avonds vertrok Hij om de nacht door te brengen op de Olijfberg.” Jezus liep ook vaak over de Olijfberg, naar de andere kant van de berg, om in Bethanië, in het huis van Lazarus en zijn zusters te logeren. Op een ochtend nadat Hij er overnacht had en terug liep naar Jeruzalem gaf Hij Zijn discipelen opnieuw een teken dat Hij de Christus was. Matteüs 21, 18-22 “Toen Hij vroeg in de morgen naar de stad terugkeerde, kreeg Hij honger. Langs de weg zag Hij een vijgenboom staan. Hij liep ernaartoe, maar er zaten alleen maar bladeren aan. Daarop zei Hij tegen de boom: ”Nooit ofte nimmer zul je meer vrucht dragen!

Ogenblikkelijk verdorde de vijgenboom. Toen de leerlingen dat zagen, vroegen ze verbaasd: “Hoe kan het dat die vijgenboom zo plotseling verdorde?” Jezus antwoordde: “Ik verzeker jullie: als jullie geloven zonder te twijfelen, zul je niet alleen teweeg kunnen brengen wat er gebeurde met de vijgenboom, maar zul je zelfs tegen die berg kunnen zeggen: “Kom van je plaats en stort je in zee, en het zal gebeuren. Alles waarom jullie in je gebeden vragen zullen jullie krijgen, als je maar gelooft.” De Hemelvaartkapel is volgens overlevering de plaats van Jezus ten Hemelopneming. Om deze gebeurtenis ter plekke te kunnen blijven herdenken werd er door Zijn eerste volgelingen, al voor de vierde eeuw, de eerste Hemelvaartkapel gebouwd; symbolisch zonder dak. De kapel - bij aankomst blijkt hij gesloten te zijn - die wij wilden bezoeken is op de funderingen van de eerste, in de tijd van de Kruisvaarders gebouwd. Vanaf Jezus Hemelvaart, tot nu aan toe, komen hier pelgrims om te bidden en processie te lopen. Het interieur in de kapel is vrij sober; het reliek van het heiligdom is een rotsblok met de laatste voetafdruk van Jezus vlak voor Hij ten hemel opsteeg.

We vervolgen de weg naar beneden. Honderd meter verder staat de Paternosterkerk. De kerk is gebouwd op de plek waar Jezus het Onze Vader leerde aan zijn leerlingen. Op de wanden van de kerk staat Het Onze Vader in honderd-acht-en-zestig talen. Het eerste Nederlandse Onze Vader is geschreven in het Fries. Uiteindelijk zijn wij Nederlanders, de Kerk der Friezen. In 1983 is het Onze Vader in het Nederlands ook op de ommuring van de kerk aangebracht. Aan het einde van het bezoek leest pastor Tjeerd de bijpassende passage uit de Bijbel, om daarna, op deze passende plek, gezamenlijk het Onze Vader en Wees gegroet Maria met ons te bidden. We dalen verder de helling af om wat later stil te staan bij het fraaie kapelletje Dominus Flevit ofwel De Heer weende. Het kerkje heeft de vorm van een traan. Hetgeen hier plaatsvond wordt beschreven in Lucas 19, 41-45 “Toen Hij Jeruzalem voor zich zag liggen begon Hij te huilen over het lot van de stad. Hij zei: “had ook jij op deze dag maar geweten wat vrede kan brengen! Maar dat blijft voor je verborgen, ook nu. Want er zal een tijd komen dat je vijanden belegeringswerken tegen je oprichten, je omsingelen en van alle kanten insluiten. Ze zullen je met de grond gelijk maken en je kinderen verdelgen, en ze zullen geen steen op de andere laten, omdat je tijd van Gods ontferming niet hebt erkend.

Zevenendertig jaar later, in het jaar 70 gebeurde wat Jezus had gezegd. Onder leiding van Titus werd Jeruzalem door het Tiende Romeinse legioen verwoest en van de Joodse inwoners werd niemand gespaard. Van de Tempel bleef alleen het westelijke gedeelte van de ommuring, de Klaagmuur staan. Dit alles gebeurde omdat de inwoners van Jeruzalem geen oog hadden voor het moment waarop de HEER Jeruzalem bezocht. We lopen verder achter Aehab aan.

De groep loopt door de poort van de ommuurde Tuin van Getsemane - ook wel de Hof van Olijven genoemd - naar de Basiliek van de Doodsangst ook wel de Kerk van alle Volken genoemd. De Latijnse naam van de kerk is Basilica Agoniae Domini. Voor mij is het heel indrukwekkend om hier in de Hof te zijn. Als ik de olijfbomen zie, stap ik in gedachten terug in de tijd; het is dan of het hier door de eeuwen heen onveranderd is gebleven. Hier sta ik bij de stille getuigen die Jezus hebben gezien. Onder deze grillige, knoestig gevormde bomen hebben de apostelen liggen slapen. Deze bomen zijn getuigen geweest van Jezus doodstrijd, van de Judaskus en Zijn gevangenneming. Maar ook van de drie uur durende duisternis op Goede Vrijdag, toen Jezus de aarde verliet en afdaalde naar de hel. De bomen stonden er toen het graf van Jezus geopend werd. Hier besef ik opnieuw, dat Jezus werkelijk leeft! In de vijftiende eeuw werden de bomen al ‘als zeer oud te zijn’, beschreven. Olijfbomen kunnen drieduizend jaar oud worden. Van drie olijfbomen die hier staan is het zeker dat zij meer dan tweeduizend jaar oud zijn.

De Basiliek van de Doodsangst is een fraaie kerk in Byzantijnsestijl uitgevoerd. Twaalf koepels, symbool staand voor de twaalf apostelen, sieren de kerk. Op de gevel staat een schitterend fresco: Jezus geknield, biddend tot Zijn Vader. Engelen, Heiligen en een slapend kind staan vol eerbied en met het hoofd gebogen aan weerszijden van Hem afgebeeld. Aan elke kant van de drie Romaanse  poorten die toegang geven tot voorportaal van de kerk staan pilaren met de standbeelden van de vier Evangelisten, elk met hun geopend Bijbelboek in de hand. Buiten de kerk staat een altaar voor de erediensten van alle Christelijke kerken. In de kerk staat voor het priesterkoor een prachtig smeedijzeren hek in de vorm van de doornenkroon. Het altaar heeft de vorm van een beker die aan het gebed van Jezus herinnerend wanneer Hij bidt: “Laat deze kelk aan mij voorbij gaan.” De Basiliek en de Hof van Olijven zijn het eigendom van De Orde der Franciscanen. De Hof kreeg de orde in 1681 in hun bezit. Met de bouw van de kerk werd in 1919 gestart en in 1924 gewijd. Tevens hebben veel kerkprovincies onderdelen aan de kerk geschonken. Naast de officiële naam kreeg de kerk toen zijn bijnaam: Kerk van alle Volken. Op de dag van Zijn arrestatie begaf Jezus zich net als daarvoor naar de Olijfberg nadat Hij met Zijn discipelen het Pascha had gevierd. Hier in de Hof van Olijven heeft de Heer met zijn slapende leerlingen, na Zijn Laatste Avondmaal - in doodsangst; Jezus wist dat Hij de volgende dag gekruisigd werd - Zijn laatste nacht op aarde, biddend en wakend doorgebracht. Matteüs 26, 38-39 “Ik voel me dodelijk bedroeft; blijf hier met mij waken. Hij liep nog een stukje verder, knielde toen en bad diep voorover gebogen: ”Vader als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan! Maar laat het niet gebeuren zoals ik het wil, maar zoals u het wilt.” Na deze nacht - omdat de schriften in vervulling moesten gaan - werd Jezus, nadat Judas hem had gekust, vanaf deze plek eerst naar Annas, de schoonvader van de hogepriester Jozef Kájafas gebracht. Voor Jezus werd het, het begin van “Goede Vrijdag”.

Wij vervolgen onze  pelgrimstocht. Na de lunch gaat de wandeling verder; we lopen naar de top van de Christelijke Sionsberg, naar de Dormitio Basiliek. Hier ligt, volgens joodse overlevering het graf van koning David. Vlak daarbij bevindt zich ook het Cenakel,*; beide heiligdommen staan op het middagprogramma. De Zaal van het Laatste Avondmaal bevindt zich op de bovenverdieping van het gebouw dat vlak naast de Dormitiokerk staat. Het was in deze bovenzaal dat de Apostelen bijéén kwamen om met Jezus het Laatste Avondmaal te vieren en na Zijn Hemelvaart, op eerste Pinksterdag, de Heilige Geest te ontvangen. Op de beneden verdieping staat de sarcofaag die sinds de Twaalfde eeuw wordt vereerd als het Graf van David. Het graf van koning David is op de Klaagmuur na, voor de joden de meest heilige plaats van Israël. In 1173 werd het graf herontdekt. De sarcofaag is bedekt met een geborduurd fluwelen blauw kleed, verfraaid met zilveren kronen en wetsrollen. Nakomelingen van koning David hebben geregeerd tot in de twintigste eeuw. De Bagrationi dynastie regeerde tot 1921 in Georgië; het is bekend dat dit koningshuis rechtstreeks afstamt van koning David. We lopen verder naar de in 1931 gebouwde mooiste kerk van Israël, de Sint Pieter in Calicante ook wel ‘St-Petruskerk van het Hanengekraai’ genoemd om in de tuin van de kerk de Eucharistie te vieren. Onder eeuwen oude bomen vieren we de Heilige Mis en bidden we samen. Na de Eredienst lopen we rond en genieten we van het prachtige uitzicht op het oudste gedeelte van Jeruzalem. Aehab wijst naar beneden en vertelt: beneden in het dal ligt ‘de Stad van David’ en het dorp Siloam. De kerk is in 1931 gebouwd op de plek waar eens het paleis van hogepriester Kájafas heeft gestaan; aan de hand van verrichte opgravingen is men daarvan overtuigd. De archeologen vonden de kerker waar Jezus gevangen zat, de steenmolen met knechtenverblijven en de binnenplaats waar Petrus, tot driemaal toe, Jezus verloochende. Aan de westkant van de kerk vonden de archeologen een meer dan tweeduizend jaar oude, lange stenen trap die leidde naar het huis van Kájafas. Het is heel goed mogelijk dat Jezus over deze traptreden heeft gelopen op weg naar het huis van Kájafas, aangezien vanaf de Tuin van Getsemane dit de kortste weg is. Op het binnenplein van de kerk staat het beeld van de ontkenning; een haan, een vrouw en een Romeinse soldaat, de uitbeelding van Petrus verloochening, tot drie maal toe. Op de ijzeren toegangsdeuren van de kerk staan bijbelse afbeeldingen. Het interieur is één en al kleur. Grote heldere veelgekleurde mozaïeken van Jezus ondervraging door Kájafas, Jezus en de discipelen aan het Laatste Avondmaal, Petrus afbeelding als eerste Paus van de Katholieke Kerk, de Veertien Kruiswegstaties en vele andere bijbelse voorstellingen sieren de kerk. Het mozaïek boven in de koepel is een hemelsblauwe sterrenhemel met daar in Engelen en de Apostelen die ons zegenen. Aan de achterzijde van het priesterkoor is in samenspel met het kruisbeeld, op schitterende wijze, de opstanding van Jezus weergegeven.

* Cenakel, Latijns voor: zaal van het Laatste Avondmaal.

Dinsdag, 8 mei. De achtste dag van onze bezinningsreis. Al zeven dagen zon en midden op de dag is het achtendertig graden in de schaduw. Messada met De Burcht van Herodus en daarna drijven in de Dode Zee staan vandaag op het ochtendprogramma. ’s Middags rijden we langs de opgravingen van Tel Jericho bij de stad Jericho. We maken een stop bij de vijgenboom waar Zacheüs in klom om Jezus te zien. En als de omstandigheden het toelaten rijden we daarna door naar een uitkijkplateau waar we uitzicht hebben op het beroemde Klooster van St. George.

De bus rijdt van het hotel richting de Woestijn van Juda. De tocht voert ons langs twee uitersten. Aan de linkerkant van de weg ligt het vruchtbare groene Jordaan-dal. Rechts van ons ligt de woestijn, een droog dor en kaal verlaten landschap. De weg daalt alsmaar naar omlaag. Ons vertrekpunt Jeruzalem ligt meer dan negenhonderd meter boven de zeespiegel. Massada en de Dode Zee liggen ver onder de zeespiegel. Na meer dan een uur rijden ligt voor ons, in de verte, het vierhonderd meter hoge rotsmassief van Massada. Op de hellingen van de berg hebben altijd al mensen gewoond. De rots is in de geschiedenis van Israël een rol gaan spelen toen de hogepriester Jonathan er tweehonderd jaar v. Chr. de vesting Massada bouwde. Koning Herodus bouwde de citadel om - tussen 40 en 4 voor Chr. - tot een fort; zodat het voor hem een veilige vluchtplaats werd. Hij was bang dat koningin Cleopatra van Egypte haar geliefde, de Romein Antonius, zover zou krijgen dat die hem zou laten vermoorden. Na de dood van Herodus zou Israël dan Egyptisch grondgebied worden. De muren die de drie plateaus van de burcht omringden waren vijf-en-een-halve meter hoog en drie-en-een-halve meter dik. Het terrein binnen de muren was bedekt met een dikke laag vruchtbare aarde. In tijden van nood kon er koren en groenten verbouwd worden. Uitgehakte grotten in de helling deden dienst als waterreservoirs. Via een vernuftig aangelegde brede goot langs de berghelling liep het afstromende regenwater van hoger gelegen hellingen naar de grotten. Wanneer de bovenste grot vol stond stroomde hij over in de daar onderliggende grot. Waren alle grotten gevuld dan had men een watervoorraad van veertig miljoen liter. Als het nodig was kon men er zich jaren achtereen verschansen. Het fort is vooral bekend geworden door de heldendaden van de Zeloten.* Na de verwoesting van Jeruzalem en de Tempel door de Romeinen hebben de Zeloten hier, met minder dan duizend mensen - vrouwen en kinderen inbegrepen - en weinig middelen, nog jarenlang weerstand geboden aan het Romeinse leger. Vele Romeinse soldaten vonden de dood aan de voet van het massief. Toen het aantal verdedigers - negenhonderd zestig - van het fort te klein werd voor de alsmaar groter wordende overmacht van de Romeinen werd het een drama. In de nacht, voorafgaande aan de finale Romeinse aanval, pleegden de Zeloten massaal zelfmoord. Slechts twee vrouwen en drie kinderen bleven in leven; zodoende kennen wij de geschiedenis van de Zeloten. Met Aehab en Corina gaan we met de kabelbaan vierhonderd meter omhoog naar de top van de berg. We zien in het landschap beneden ons de contouren liggen van de muurtjes waarbinnen de kampementen van Romeinse aanvallers hebben gelegen.

Op het bovenste rotsplateau aangekomen blijkt het complex heel uitgebreid. Aehab geeft uitleg van datgene dat te zien is en leidt ons rond. Het fort omvat drie terrassen door smalle trappen aan elkaar verbonden. Op het bovenste terras zien we de restanten van het uitgebreide Paleis van Herodes liggen. Het middelste terras is aangelegd om dienst te doen als verdedigingsgordel en om het bovenste terras te beschermen tegen doorgebroken aanvallers. Achter dikke muren ligt op het beneden plateau een groot plein. We lopen de grotten in. In de rots zijn zalen, woningen, voorraadkamers en een badhuis uitgehakt. In de grote zaal staan verschillende fresco’s op de muur. In de achterwand zijn namaak pilaren uitgehakt; de rotsschilderingen ertussen zijn afgeschermd door glas. De restanten van de oudste synagoge van Israël staan aan de westrand van het plateau. In 1838 ontdekte de Amerikaan Edward Robinson dat dit de berg was waarop Masada lag. In 1963 begonnen de archeologen de vesting op te graven. Duizenden vrijwilligers, van over de gehele wereld vandaan, hebben geholpen Massada bloot te leggen. Vanaf het plein kunnen we ver kijken. Een aantal kilometers verder liggen in het dal, de hotels en kuuroorden van En Gedi Hot Springs en onze volgende reisdoelen, de Dode Zee en de oase En Gedi. En Gedi is een klein natuurreservaat midden in een vlakte waar niets groeit. Een oase van groen, waar bronnen al in de tijd van de Essenen landbouw mogelijk maakte. In het Hooglied van Koning Salomo bezong hij deze lusthof al.

We rijden steeds verder de helling af, de woestijn van Juda in, om te stoppen bij het laagst gelegen meer van de wereld, de Dode Zee; in het Oude Testament en in de tijd van Jezus bekend als de Zout Zee. We krijgen het advies van Corina veel te drinken. Buiten de bus is de lucht droog en de temperatuur is inmiddels opgelopen tegen de veertig graden Celsius. Het meer ligt meer dan vierhonderd meter onder zeeniveau en is daarmee het laagst gelegen punt op aarde. Door het hoge zoutgehalte van de Dode Zee - drieëndertig procent - leven er in het water alleen pelgrims, toeristen en microben.

Je kunt er daarentegen wel in de zon liggen zonder te verbranden; de zon verliest op deze diepte zijn gevaarlijke UV-straling. Door het niet voldoende instromen van zoetwater in de Dode Zee en door de hitte ter plaatse verdampt het zeewater constant en zakt de waterspiegel een meter per jaar. Elk jaar wordt het meer, meer en meer, een depot van mineralen. De mineralen hebben een heilzame werking op de huid waardoor veel mensen met bepaalde huidaandoening **, hier een kuuroord bezoeken. In alle tijden is de Dode Zee een bron van inkomsten geweest. De nomadenstam van de Nabataërs won hier bitumen en verkochten die aan de Egyptenaren, die deze gebruikten voor het balsemen voor hun doden; later deden de Romeinen hetzelfde. Koning David en zijn zoon koning Salomo en de koningin van Sheba hebben hier, in hun tijd, aan het strand al kuuroorden gesticht. Koningin Cleopatra van Egypte kreeg voor veel geld, de exclusieve rechten om uit het water van de Zout Zee mineralen te winnen en in de door haar op de oevers gestichte fabrieken, cosmetische producten te vervaardigen.

Omdat de drie landen die grenzen aan de Dode Zee, Israël, de Palestijnse Autoriteit (West-Jordaanland of de West-bank) en Jordanië, het meer willen behouden heeft Koning Abdoellah van Jordanië in 2009 toestemming gegeven om een kanaal te graven. Als de waterverbinding voltooid is kan het water uit de Rode Zee, de Dode Zee gecontroleerd instromen. Doordat de zeewaterspiegel op aarde vanwege de klimaatsverandering stijgt, heeft een ander gedeelte van de Dode Zee juist last van waterniveaustijging. Om de hotels hiertegen te beschermen is Israël begonnen het zout, dat op de bodem van het meer ligt opgehoopt, op te baggeren. De kosten van het project zijn geschat op één en kwart miljard euro. Fakhri draait van de hoofdweg af. We rijden naar een strandpaviljoen waar we ons kunnen verkleden en douchen. De meeste pelgrims liggen te drijven; wat toch bijzonder is om te zien. Anderen smeren zich in met zwarte modder. Ze zijn niet om aan te zien, maar ieder zijn meug; het schijnt gezond te zijn. Ik stap ook de Dode Zee in. Verlies een teenslipper en stap op de puntige keien. Na de slipper met veel getob weer aan te hebben gedaan ga ik liggen en drijf. Een medepelgrim laat zich voor mij, met veel geplons en gespetter, achterover vallen. Mijn ogen zitten gelijk vol met bijtend zout water. Ik probeer te gaan staan. Door de opwaartse druk en omdat het meer, meer dan vierhonderd meter diep is, lukt dat niet. Halfblind zwem ik richting het strand waar het wel lukt. Onderweg naar de douche op het strand neem ik een blinde medeslachtoffer van de plons mee aan de hand. Voor mij hoeft het daarna niet meer, ik ga foto’s maken van alle leuke plezierige momenten die de overig bedevaartgangers meemaken.

Nadat iedereen is uitgedreven, zich ontdaan heeft van de bagger en zich heeft aangekleed gaan we lunchen in En Gedi. Na de warme maaltijd vangen we om vier uur de terugreis naar Jeruzalem aan.

We rijden eerst naar Jericho, de toekomstige “hoofdstad” van de Palestijnse Staat, om daar een stop te maken bij Tel Jericho. Onderweg wijst Aehab de grotten aan waar de Dode Zee rollen gevonden zijn. Even later maakt hij ons attent op een berg in de verte waar Mozes volgens hem begraven ligt. De berg ligt aan overkant van de Dode Zee, in Jordanië, in het vroegere land van Moab. Deuteronomium 34, 6 zegt wel dat de HEER Zelf Mozes begraven heeft, maar zegt niet waar. Niemand weet het. We rijden door het Jordaan-dal en een oase van groen. Langs de weg staan palmen en eucalyptusbomen. We passeren fruit-, bananen-, sinasappelen- en dadelplantages. Jericho, de oudste bewoonde stad ter wereld ligt tweehonderd vijftig meter beneden zeeniveau. Talrijke bronnen, die constant diep uit de aarde zoetwater  opborrelen, zorgen voor de vruchtbaarheid van de grond. Ook de bron van Elisa bevindt zich hier in de omgeving. 2 Koningen 2, 19-22: De inwoners van Jericho zeiden tegen Elisa: “De ligging van de stad is goed, zoals u ziet, maar het water is slecht en de grond veroorzaakt misgeboorten. Elisa zei: “Breng me een nieuwe schaal met wat zout erop.” Ze brachten hem een schaal, en Elisa ging naar de bron en strooide daar zout in terwijl hij zei: “Dit zegt de Heer: hierbij zuiver ik dit water. Het zal geen sterfgevallen of misgeboorten meer veroorzaken.“ En tot op de dag van vandaag is het water daar zuiver, zoals Elisa heeft gezegd. Vanuit de bus zien we de berg Qarantana liggen; de berg waar de eerste en derde verzoeking heeft plaatsgevonden. Men gelooft dat op de top van de berg, Christus Zijn laatste verzoeking heeft ondergaan toen de duivel alle koninkrijken van de wereld aan Hem liet zien. Het was tevens de laatste verzoeking van de duivel aan Christus. Matteüs 4, 8-11 “De duivel nam Hem mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde Hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht en zei:”Dit alles zal ik u geven als U voor mij neervalt en mij aanbidt.” Daarop zei Jezus tegen hem: “Ga weg Satan! Want er staat geschreven: “Aanbidt de Heer, uw God, vereer alleen Hem.”Daarna liet de duivel Hem met rust, en meteen kwamen de engelen om voor Hem te zorgen.” 

We rijden Jericho binnen en stoppen langs de rijweg bij Tel Jericho. We blijven zitten in de bus. Aehab pakt de microfoon en vertelt hoe Tel Jericho - de heuvel van het oude Jericho - door de eeuwen heen is ontstaan. Laag op laag, op elkaar zijn hier duizenden jaren achtereen onderkomens en woningen gebouwd. Steeds opnieuw, na elke oorlog of natuurramp, heeft men de boel weer opgebouwd en is men er blijven wonen. Archeologen hebben aangetoond dat deze kunstmatige heuvel van bouwmaterialen zich, na zesendertig lagen en elfduizend jaar beschaving heeft gevormd. De afmetingen van de Tel zijn: hoogte twintig, lengte driehonderdvijftig en de breedte bedraagt honderdvijftig meter. Een klein deel is door de archeologen opgegraven en onderzocht. Tussen drieduizend en tweeduizend jaar v. Chr. werd Jericho al zeventien maal verwoest en herbouwd. Ergens tussen al die lagen puin in hebben eens de ramshorens van Jozua geklonken. We rijden door Jericho; de stad die door het volk van Israël in 1300 v. Chr., tijdens de uittocht uit Egypte, als eerste stad in het beloofde land werd ingenomen. Iedereen kent het verhaal van de bazuinen die met hun luide geschal de muren van Jericho lieten omvallen. Jozua 6, 20 “Toen de ramshoorns klonken brak het volk uit in donderend geschreeuw. De muur stortte in en iedereen klom de stad binnen vanaf de plaats waar hij zich bevond … .”

Aehab vertelt  verder dat op de eerste laag van de Tel, op de natuurstenen ondergrond van de berg, de eerste mensen zich hier tienduizend jaar v. Chr. hebben gevestigd;  het waren geen nomaden. De bewoners gebruikten gecultiveerde graansoorten en er werd aan veeteelt gedaan. Na een paar minuten gereden te hebben stappen we uit bij een hoge olijfboom. De boom stond er al toen Jezus onderweg naar Jeruzalem een bezoek bracht aan Jericho. Hier riep de blinde bedelaar: “Zoon van David, heb medelijden met mij”! Waarop Jezus de man van zijn blindheid genas. Uit deze boom heeft Hij Zacherias geroepen. Bij de boom houden we een stilte moment. Pastor Tjeerd lees uit de Bijbel, Lucas 19, 1-10. Daarna bidden we samen het Onze Vader en Wees gegroet Maria.

We zitten net weer vijf minuten in de bus of Fakhri stopt opnieuw. We stappen uit op een parkeerplaats bij een kleine supermarkt. Vanaf het plateau daar, hebben we een schitterend uitzicht op een vallei met bomen en het St.-Georgsklooster. Boven, diep in de bergkloof tegen bergwand aan, ligt als een verzameling zwaluwnesten één van de eerste kloosters dat gesticht werd in Israël. Het Grieks-Orthodoxe klooster is uitgehouwen uit de rots tijdens de Byzantijnse periode, eind vijfde eeuw. Sint George, bij ons bekend als Heilige Georgius; in de volksmond noemen we hem Sint Joris. Zijn geschiedenis: “St.-Joris is in Lod - in de omgeving van Tel Aviv - in Syria Paleastina, geboren omstreeks het jaar 280. Als volwassene werd hij militair en bracht het tot tribuun, officier in het leger van keizer Deocletianus. Toen deze hem de opdracht gaf Christenen te vervolgen weigerde St.-Joris dit; hij en zijn familie waren volgelingen van Jezus. St.-Joris werd gevangen genomen en gemarteld. Hij werd op een rad gelegd met tweesnijdende zwaarden, in een ketel met kokende olie gestopt en hij moest een beker met gif drinken. St.-Joris liep desondanks geen enkel letsel op. Onder indruk van dit alles liet de keizerin van Rome zich dopen. Zij werd samen met St.-Joris op de toren van de stadsmuur van Lydda onthoofd. Dit alles gebeurde op 23 april, in het jaar 303, in het Heilige Land. St.-Joris staat altijd afgebeeld als ridder bij een draak die hij aan het doden is. Volgens overlevering zou hij in zijn geboortestreek een draak waaraan kinderen werden geofferd gedood hebben, waarna vijftienduizend personen zich tot het christendom hebben bekeerd. St.-Joris is patroon van o.a. Moskou, Engeland, Catalonië, de cavalerie, mijnwerkers, kuipers, zadelmakers, toeristen, ziekenhuizen, militairen, gevangenen, vee, ruiters, de padvinders en verkenners. De boeren kozen hem als patroonsheilige wegens zijn naam “geoorgos”; dat landman betekent. Verder is hij is beschermheilige van de plaatsen Amersfoort, Ridderkerk en Terborg en van de studentensociëteit ‘Mutua Fides’ te Groningen. De Orde van St.-Joris is opgericht in 1390 in het Franse Bourgondië. De reis gaat verder de woestijn door, naar Jeruzalem waar we in ons hotel de Eucharistie zullen vieren. Bij het hotel aangekomen neemt iedereen afscheid van ‘onze vaste chauffeur’. Fakhri gaat met een nieuwe groep pelgrims door Israël toeren.

 *Geloofsstroming, fanatieke beweging, voortkomend uit de linkervleugel van de Farizeeën. De Zeloten zijn extreem aan de vrijheid gehecht en erkennen alleen hun eigen God als hun Heer en Koning dus vooral niet de Romeinen. De Apostel Simon, die ook wel Zebedeüs wordt genoemd behoorde tot die groep.

**Met name mensen met Psoriasis hebben er baat bij.

Woensdag, 9 mei. Op tweede dag in Jeruzalem gaan we naar het Tempelplein waar de Dome of Rock en de Al-Aqsa moskee staan. Vervolgens brengen we een bezoek aan de Klaagmuur. Daarna bezoeken we de Grot van de Apostelen en de Kerk van het inslapen van Maria. Om twaalf uur vieren we de Eucharistie in de St.-Anna Kerk. Na de lunch hebben we tot drie uur de tijd voor ons zelf om daarna gezamenlijk de Via Dolorosa te lopen. Tijdens de processie doen we de Ecce Homo aan. Om vervolgens door te lopen naar de Heilig Grafkerk.

Vandaag gaan we, lopend van af ons hotel, eerst naar het Tempelplein. Hetzelfde plein waar Jezus een zweep maakte om de handelaren in offerdieren en de geldwisselaars uit het Huis van Zijn Vader, te verjagen. Hier deed Hij ook de uitspraak aan Zijn leerlingen over Zijn opstanding uit de dood; zij begrepen pas met Pasen de woorden die Hij gezegd had. Johannes 2, 15-19 “Hij maakte van touwen een gesel, en dreef ze allemaal uit de tempel, ook de schapen en runderen; het kleingeld van de wisselaars veegde hij van de tafels en Hij wierp die omver. En tot de duivenhandelaars zei Hij: “Weg met dit alles! Maak van het huis van mijn Vader geen markthal! ”Zijn leerlingen herinnerden zich dat er geschreven staat: “De ijver voor uw huis zal mij verteren.” De joden richtten zich tot Jezus met de woorden: wat kan Gij ons laten zien dat Gij dit moogt?” Waarop Jezus hun antwoordde: “Breek deze tempel af en in drie dagen zal ik hem doen herrijzen.

Tijdens de regeringsperiode van koning Salomo werd hier op het Tempelplein, in 970 v. Chr. een begin gemaakt met de bouw van de eerste tempel. Later toen deze werd vernietigd bouwden de Joden in 515 v. Chr., na hun Babylonische ballingschap, een nieuwe die twintig jaar voor de geboorte van Jezus  werd uitgebouwd en verfraaid - om de Joden te paaien - door koning Herodus de Grote. In het jaar 70 werd Jeruzalem door de Romeinen met de grond gelijk gemaakt. Zij bouwden op het puin van Jeruzalem de stad Aelia Capitolina en joden werd de toegang tot de stad ontzegd. Op het voormalige Tempelplein werd een tempel gebouwd die aan Zeus gewijd werd. Na de tweede diaspora kwamen de joden, in de loop der tijden, terug naar Jeruzalem. Na de verovering in de achtste eeuw door de Mohammedanen liet de Koerdische veroveraar Saladin twee Islamitische heiligdommem bouwen op het terrein van de Tempel, de Al-Aqsa moskee en de Rotskoepel. Na het bezoek aan de Moslim heiligdommen wandelen we verder. Bij de Klaagmuur aangekomen wordt onze groep in tweeën gedeeld. De mannen gaan naar het linkergedeelte, de vrouwen gaan naar de rechterzijde van het Tempelplein. Het plein van het Joodse Heiligdom is in tweeën gedeeld. Het gedeelte waar wij heen gaan is de mannenkant. Het is een imposant gezicht.

Een groot plein met aan de westkant een hoge muur, opgetrokken uit hele grootte, uit de rotsen gehakte stenen. Overal lopen mannen. Bij en tegen de Klaagmuur staan joodse mannen intens te bidden. Uit eerbied hebben ze allen het hoofd bedekt met een keppel. Een deel daarvan draagt daar overheen een hoed of gebedsdoek. Onderweg naar de Klaagmuur wordt mij een keppel aangereikt. Vervolgens loop ik door om te bidden op de plek waar miljoenen gelovigen mij al zijn voorgegaan. Bij de Klaagmuur sta je het dichts bij de plaats waar eens de Tempel heeft gestaan. De joden spreken niet van de Klaagmuur; zij noemen die “Kotel”, gewoon de “Muur”. Ons volgende bezoek is aan de Grot van de Apostelen en de Kerk van het inslapen van Maria. Het is bekend dat op deze plaats de Moeder Gods gestorven is. Via draaitrappen komen we onder in de kerk waar zich de crypte van het inslapen van Maria bevindt. Het beeld, dat haar dode lichaam voorstelt, ligt sereen met gevouwen handen in het midden van het praalgraf. Het Heiligdom is gebouwd op de plaats waar de Apostelen bijéén kwamen. Zij moesten Maria bijstaan terwijl zij stervende was en om als getuige aanwezig te zijn bij haar ten hemelopneming. De overlevering van dit mirakel staat niet in de Bijbel maar is via de zogeheten Apocriefe Evangeliën aan ons doorverteld. Het wonder van Maria ten Hemelopneming is door de apostel Johannes doorverteld en op papier gezet door een onbekend schrijver, ergens in de Vierde eeuw. Aldus Johannes: * “En de Heilige Geest zei tot de apostelen: er zal een aardbeving zijn. Op dat moment zullen jullie allemaal van alle uithoeken van de bewoonde wereld door de lucht bij elkaar gebracht worden omwille van de Moeder van de Heer Jezus Christus; Petrus vanuit Rome, Paulus vanuit Tiberias, Thomas vanuit de binnenlanden van India, Jacobus vanuit Jeruzalem en Marcus uit Alexandrië. Petrus broer: Andreas, Filippus, Lucas en Simon de Kanaäneeër en Thaddeus die reeds gestorven waren, werden door de Heilige Geest opgewekt uit hun graf. De Heilige Geest gaf hen te kennen: ”Denk niet dat het uur van de opstanding al gekomen is. Nee, u moet opstaan uit uw graf om aanwezig te zijn bij het eerbetoon en het wonderwerk dat aan de Moeder van de Heer voltrokken gaat worden. Want de dag dat zij van hier zal heengaan en opgenomen wordt in de hemel, is aangebroken.” Toen Petrus op zijn wolk boven de ontmoetingsplaats was aangekomen, liet de Heilige Geest hem daar hangen tot het moment dat alle anderen zich rond hem verzameld hadden. Toen daalden zij af naar de Moeder van de Heer en bogen hun knieën voor haar met de woorden: “Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is met u en gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot. Wees niet bevreesd of bedroefd, God de Heer die uit u geboren is, zal u omstraald  met heerlijkheid, uit onze wereld wegnemen.” Maria richtte zich op in haar bed en zei tot de apostelen: “Ik vertrouw erop dat onze God en Meester naar hier zal komen. Ja ik zie Hem zelf al. Precies zoals jullie hier gekomen zijn zal ik uit het leven weggenomen worden.” Zij zei tot de apostelen: “Doe wierook in het wierookvat en bidt.” Tijdens hun gebed klonk er een donderslag vanuit de hemel en een angstaanjagend geluid zwol aan van aanrollende wagens.

Er verscheen een groot aantal engelen en hemelse machten, er was een stem te horen van een mensenzoon. De zon en de maan begonnen gelijk te schijnen en serafs stelden zich rond het huis waar de Heilige Onbevlekte Maagd en Moeder Gods in bed lag. Dit alles gebeurde tijdens Maria ten hemelopneming. De menigte en de heiligen van het eerste uur die bij haar huis aanwezig en getuigen waren, zongen haar lof en eer toe: “Wees gegroet Maria, vol van genade. De Heer is met u en gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot. Heilige Maria, Moeder van God bidt voor ons zondaars; nu en in het uur van onze dood.”Dit alles geschiedde terwijl Maria, op een wolk, ten hemel opging.”

* Ingekorte samenvatting.

Na de crypte van Maria bezoeken we de Sint Anna Kerk, gewijd aan de Heilige Anna. St. Anna en haar man St. Joachim woonden hier in een grot waar hun dochter de Maagd Maria is opgegroeid. Boven de grot is op meerdere funderingen van oudere kerken, in 1092 door de Kruisvaarders, de Sint Anna Kerk gebouwd. Honderd jaar later, in 1192 veroverde Saladin Jeruzalem; hij bouwde de kerk om tot school die als opleidingscentrum enige faam verwierf. In de tijd van de Ottomaanse overheersing verviel het gebouw. In 1874 werd de kerk eigendom van de Witte Paters; zij gaven het kerkgebouw zijn schoonheid en luister terug. Boven de deuren van de St. Anna staan vijf regels in Arabisch schrift. Aehab vertaalt ze voor ons. Een van de zinnen die ik heb onthouden is: ‘Saladin, de veroveraar van Jeruzalem, stichter van deze school’.

In de kerk zien we dat de kerk bestaat uit een schip en twee zijbeuken die alle drie dezelfde grootte hebben. Het schip wordt gescheiden van de zijbeuken door twee zuilenrijen. De basis van een zuil heeft de vorm van een kruis. Het einde van elke zijbeuk en van het centrale schip wordt gevormd door een apsis, een halfrond, waarbij de centrale apsis in het schip de grootste is. Het Hoogaltaar bevindt zich op een verhoging en staat in de centrale apsis. Op het altaar zijn de Blijde Boodschap, de Geboorte van Christus, en de Kruisafname afgebeeld. Om twaalf uur vieren we hier de Eucharistie. Het werd een Viering met een hoofdletter, één om nooit te vergeten. De akoestiek in de kerk is geweldig. Als pastor Tjeerd spreekt of de groep zingt komt het geluid ervan aan alle kanten bij je binnen. Je hoort niet alleen met je oren maar je luistert met heel je lichaam. Tijdens de Prefatie beginnen buiten de kerk meerdere Imams uit hun minaretten de gelovigen op te roepen tot gebed. De zangerige stemmen zijn niet te verstaan maar de klanken ervan ondersteunen de Mis; het lijkt wel of boven onze hoofden heel Jeruzalem het ‘Heilig, heilig de Heer, de God der hemelse machten’, meezingt. Na de viering praten we na hoe we deze viering beleefd hebben.

Daarna is het tijd om het stoffelijke te onderhouden. Corina neemt ons mee naar een Italiaans restaurant. Het restaurant ligt op één van de heuveltoppen van de oude stad. We hebben uitzicht op o.a. de Olijfberg, het Dal van Josafat en het Tempelplein met Al-Aqsa moskee. Na een heerlijke Italiaanse warme lunch lopen we eerst naar de Heilig Grafkerk.

De pelgrims die het te warm hebben en daardoor niet goed ter been zijn kunnen daar wachten op de overige pelgrims die de Kruisweg lopen. Wij lopen daarna naar het begin van de Via Dolorosa om in de voetstappen van Jezus de Stabat Mater, de Kruisweg te lopen. We lopen de route die Jezus gelopen heeft toen Hij Zijn kruis droeg. Nadat Pontius Pilatus Hem overgeleverd had aan de Joden liep Hij over deze weg naar Golgotha, om gekruisigd te worden. We staan stil bij elke Statie; pastor Tjeerd leest de tekst voor die bij de Statie hoort. Daarna bidden we gezamenlijk het Onze Vader en Wees gegroet Maria. De ruimte waar de Zesde Statie is afgebeeld blijkt gesloten. Pastor Tjeerd zegt wel de tekst die erbij hoort en wij bidden onze gebeden terwijl het leven op straat, langs ons heen, gewoon doorgaat. We zijn haast aan het einde gekomen van de Lijdensweg van Jezus. We lopen door de Leeuwenpoort, door kronkelende overwelfde nauwe straatjes, verder naar ons einddoel, de Heilig Grafkerk; daar waar Golghota eens lag. De Heilig Grafkerk is in derde eeuw gebouwd door de Romeinse keizer Constantein de Grote. Volgens overlevering staat de kerk op de plaats waar Jezus op Golgotha is gekruisigd en Zijn Graf heeft gelegen. In de kerk zijn de laatste vijf Kruiswegstatiën afgebeeld. Eenmaal in de kerk gaan we eerst naar het Heilig graf waar Jezus na Zijn kruisiging werd ingelegd. We sluiten ons aan achter onze medepelgrims, overal vandaan, die ook het graf willen bezoeken. Als wij het graf binnen mogen ga ik, mijn vrouw en vier van jullie naar binnen. Terwijl ik kniel leg ik mijn hand op de steen waar Jezus tot Zijn wederopstanding twee dagen heeft gelegen. Terwijl ik bid word ik rustig, het wordt stil in mij. Een innerlijke ontspanning komt over mij. ‘Jezus leeft!’ is opnieuw de gedachte die door mij heen gaat. Uitgerust verlaat ik het graf. Het is of ik er uren binnen ben geweest. In de kerk zonder ik mij af, om te overdenken en na te genieten hetgeen mij is overkomen. We lopen terug naar de ingang van de kerk. Daar gaan we de trap op naar de Tiende Statie. Achter een glazen wand staat het kruis met de gekruisigde Heer. Een gedeelte van de rots van Golgotha is te zien aan de voet van het kruis. Op de plek waar we nu staan werd Jezus gekruisigd, hier riep Hij met luide stem: “Eloï, Eloï, lama sabaktani”; “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Na gedronken - “om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan” - te hebben zei Hij: “het is volbracht.” Waar we nu staan is: “Het Woord is vlees en toen weer Woord geworden.” Na de Tiende Kruisweg-lezing door pastor Tjeerd en het gezamenlijke bidden, lopen we naar beneden voor de laatste Staties. Na ook hier de eer aan onze Vader gebracht te hebben zijn ook wij zijn aan het einde van de Lijdensweg gekomen, alleen wij gaan terug naar ons hotel voor het diner. Tijdens de maaltijd nemen we afscheid van Aehab, hij gaat naar huis. Wat hebben we geboft met die man als gids. De hele reis hoorde hij erbij. Of je nu elke keer te laat kwam of op tijd in de bus zat, hij bleef vriendelijk. Was je iets niet duidelijk of had je het niet verstaan, hij vertelde het graag nog een keer.

Donderdag, 10 mei, de aankomende nacht verlaten we het Heilige Land. Voordat we teruggaan naar Nederland hebben we nog een hele dag voor de boeg. Vandaag hebben we een keuzeprogramma, we kunnen in Jeruzalem blijven en daar op eigen gelegenheid bezienswaardigheden bezoeken of winkelen. De andere mogelijkheid is, met de bus een bezoek te brengen aan Yad Vashem, het Holocaustmuseum. Op de terugweg rijden we langs de Knesset, het parlementsgebouw van Israël, en we maken een korte stop bij de Menorah. Pastor Tjeerd gaat niet mee, hij is niet fit.

Wij kiezen voor de tweede mogelijkheid: Yad Vashem. We rijden met Adnan, de nieuwe chauffeur, door het drukke verkeer van de ochtendspits naar de buitenwijken van Jeruzalem. De bus rijdt de Herinneringsheuvel op en de Laan der Rechtschapenen in. Voor ons ligt het herinneringsmuseum voor de zes miljoen vermoorde joden in de Tweede Wereldoorlog. De bomen langs de laan zijn gepland door mensen die in de Tweede Wereldoorlog in Europa hun leven gewaagd hebben door Joden in veiligheid te brengen. Bordjes met de naam van de planters, uit vele landen, staan bij de bomen vermeld. Aan wat ik zie bij het uitstappen, voel ik al, dat het geen vrolijk bezoek gaat worden. Overal langs de paden staan herinneringsbeelden. Net als het museumgebouw stralen ze somberheid en groot verdriet uit. In de Zaal van de Herinnering brandt de Eeuwige Vlam.

In de marmeren gedenkplaat staan de namen van de vernietigingskampen; Bergen-Belzen, Sobibor, Mauthausen, Auswitz, Buchenwald, Stutthof, Klooga, Drancy, Chetmno, Babi-yar en ……; ik tel er twee-en-twintig. Een stukje verder zijn De Laatste Mars en Het Getto van Warschau afgebeeld. Afbeeldingen die voor zichzelf spreken; de laatste gang van de Joden naar de concentratiekampen. In de centrale hal van het museum zijn foto’s en documenten opgehangen van omgebrachte mensen. Foto’s van de Jodenbreestraat in Amsterdam hangen tussen de beelden van brandende synagogen, brandende Joodse stadswijken en goederen treinen vol joodse mannen, vrouwen en kinderen, allemaal op weg naar …… . De Spiegelzaal is een indrukwekkend monument; vijf brandende kaarsen weerspiegelen in spiegels, duizenden lichtpuntjes, zo worden de kinderen herdacht, die door de nazi’s zijn vermoord.

Het herinneringsmonument voor de vernietigde Joodse gemeenschappen is het einde van de herinneringsroute. Op namaakrotsen staan de plaatsnamen; Elburg, Steenwijk, Almelo, Groenloo, Denekamp, Coevorden, Deventer, Enschede, Rijssen, Doetichem, Aalten, Oldenzaal, Ter Apel, Kampen, Nijkerk, Apeldoorn, Winterswijk, Nijmegen, Zaltbommel, Borculo, Arhnem, Lochem, Borne, Meppel, Zutphen. Dieren, Zwolle, Hengeloo, Zevenaar, Tiel en meerder Nederlandse plaatsnamen, vermeld tussen de vijfenveertighonderd namen van steden en dorpen in Europa waar alle joden zijn weggevoerd om nooit meer terug te keren.

Op de terugweg rijden we langs de Knesset, het parlementsgebouw van Israël. Bij de Menora, het officiële symbool van Israël, stappen we uit. De meters hoge stenen zevenarmige kandelaar, is één van de oudste symbolen voor het jodendom. De Menora symboliseert het brandende braambos dat Mozes zag op de berg Sinaï. God schiep op de eerste dag het licht. Zonder licht is er geen leven. Mozes moest van God volgens precieze voorschriften de Menora laten maken en plaatsen in de Tarbernakel, in het Heilige der Heilige bij de Ark van het Verbond waarin de stenen tafelen met De Tien Geboden lagen. De echte Menora hebben de Romeinen na de verwoesting van de Tempel meegevoerd naar Rome. In de overwinningsparade van het Tiende Legioen door Rome werd de kandelaar, als oorlogsbuit, aan de bevolking van Rome getoond. Op de Triomfboog van Titus, in de omgeving van het Colosseum, staat de enige bekende afbeelding van de originele Menora die bekend is. De Chanoeka is ook een symboolkandelaar voor de Joden. Deze kandelaar heeft acht armen plus een kaarshouder en wordt gebruikt bij het Lichtfeest, het chanoekafeest. Het Chanoekafeest wordt gevierd in de donkere dagen aan het einde van de maand december en duurt acht dagen. Elke dag van het feest wordt er een kaars meer aangestoken met behulp van de kaars in de negende houder, zodat het wonder van het licht elke dag groter wordt. De kandelaar staat als symbool voor Het Licht bij de her-inwijding van de Tempel in 164 v. Chr.

Onze nieuwe chauffeur brengt ons voor de laatste avond in Israël terug naar het hotel. Pastor Tjeerd is aan de beterende hand. Om zeven uur verzorgen zuster Delia en Jos een Gebedsviering. Na het afscheidsdiner gaan we koffers pakken en naar bed om nog een paar uur te slapen.

11 mei. De terugreis. Om één uur opstaan, scheren, douchen en aankleden. We gaan op weg naar huis. Voordat we in het vliegtuig kunnen stappen worden we weer grondig gecontroleerd. Na een goede vlucht komen we op Schiphol aan. Alleen onze paspoorten worden door de douane bekeken, in een mum van tijd staat iedereen bij de bagageband.

Na de koffers in de gereedstaande bus gezet te hebben gaan we richting Delft. Tjeerd pakt de microfoon om iets te zeggen. De microfoon doet het niet en de chauffeur krijgt hem niet aan de praat. Corina neemt het over, - dan zien we wat voor een geweldige reisleidster we de hele reis bij ons hadden - ze praat met de chauffeur, belt met het busbedrijf, draait aan de knoppen en de geluidsinstallatie doet het weer. Tijdens de reis regelde ze je de dingen zo dat niemand er nagenoeg iets van merkte. Overal waar we kwamen werden we verwacht en waren de zaken geregeld. Bij de hotels stond men ons al op te wachten. Waar we de lunch gebruikten stonden de tafels al voor onze groep gedekt. Zodra we zaten werd het eten opgediend. Corina, bedankt voor alles dat je gedaan hebt. Aboenha, pastor Tjeerd, u ook bedankt voor alle woorden, die van onze pelgrimstocht een echte bedevaart hebben gemaakt. Door uw overwegingen hebben de plaatsen waar Jezus in zijn aardse leven geweest is, een gezicht gekregen en zijn in onze harten gaan leven. We hebben u leren kennen. Niet alleen als een gedreven en bezielend priester maar ook als een spontaan en vrolijk mens, die als het nodig was, de arm om iemand heen sloeg om te troosten.

Jos pakt de microfoon en vraagt ons op de wijs van het lied Willem met de waterpomptang met hem mee te zingen. In het vliegtuig heeft hij een bedank-lied van drie-en-twintig coupletten geschreven. Jos zingt voor, en de hele bus zingt uit volle borst vervolgens het refrein. In het lied haalt Jos de reismomenten aan die indruk op ons gemaakt hebben. Tevens bedankt hij Corina, Tjeerd en eigenlijk ons allemaal voor de wijze waarop we samen de reis gemaakt hebben.        

Wat een mooie reis hebben we gemaakt. De pelgrimsreis naar Rome was er een om nooit te vergeten. Maar deze reis door het land waar Jezus het Woord heeft verkondigd, heb ik nog intenser beleeft; ik ben echt op bedevaart geweest. Met fijne mensen heb ik in de Heilige plaatsen mogen bidden en hun blijdschap en verdriet mogen delen. De reis die we door het Heilige Land hebben mogen maken is er een geworden waar we ons geloof hebben mogen beleven en belijden. In de vieringen op het Meer van Galilea en in de heilige plaatsen daarom heen, heeft pastor Tjeerd ons erop gewezen waarom wij op aarde zijn. Door zijn preken zijn wij in ons geloof gesterkt. De vieringen in de openlucht op de Berg van de Zaligsprekingen, de lezing bij de picknick in Tabgha, waar er te weinig lunchpakketten bleken te zijn, en er toch nog brood overbleef, zal ik nooit vergeten.

In Bethlehem vierden we de Eucharistie in een stal. We waren daar waar het elke dag Kerstmis is en knielden op de plek waar de Messias geboren werd. We waren in Nazareth, waar Hij wonderen heeft verricht. We hebben ons gewassen in de Jordaan, in de rivier, waar Johannes Hem doopte. ‘In de voetstappen van Jezus’ zijn wij naar Golgotha gelopen. Ik ben dankbaar dat ik het Beloofde Land, de bakermat van ons geloof, heb mogen bezoeken. Medepelgrims en u die dit leest, ik groet u en wens u toe: “De Vrede van Christus.”

01-06-2012 Wijbe Brouwer